A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana (deel 3) by John Gabriel Stedman

J >> John Gabriel Stedman >> Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana (deel 3)

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17


Produced by Jeroen Hellingman
with help of the distributed proofreaders team.




REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA. III.



REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;

DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIEL STEDMAN.

MET PLAATEN EN KAARTEN.

NAAR HET ENGELSCH.

DERDE DEEL.



INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.

XX. HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duivenboonen of erwten
van Angola.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand

XXI. HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel
van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba
te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was
ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

XXII. HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan
de Pereca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis
veroeorzaakt.--De Oppossum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het
krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug..

XXIII. HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende
zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke
gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende
Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de
legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De
Zee-koe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der
Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De
Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen

XXIV. HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagnien Vrywilligers, bestaande
uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van
Visschen.--Arrowoukas-Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De
Ratel-slang--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige
slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het
krygsvolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting
van Surinamen.--Beschryving eener Cacao-Plantagie.--Heldendaad van
eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

XXV. HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het
Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van
visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed
van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloe.--De
Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde
Byen.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal
bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

XXVI. HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De
Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te
ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der
Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe
byzonderheden betrekkelyk de Negers.

XXVII. HOOFTSTUK.

De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen
van strafoeeffening.--Onverschrokkenheid der Negers.--Verschillende
zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene
Indigo Plantagie.--Kaneel-Appel.

XXVIII. HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht
naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van
timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos
genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewoone hitte, die alle
de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De
Brazilsche Wezel.--De Miereeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en
vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de
Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche
Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.





REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA.


TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten
van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.

De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND
opgeblazen, waren daarenboven door hunne Spions onderrigt, dat
de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten
willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid,
om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken
onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken,
en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen
nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan
loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene
gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te
zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten
Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags
morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het
aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee
honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten
een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De
Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD
te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk
aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen
en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd
was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden
zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die
verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en
beslissenden slag.

Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben
afgelegd, het geen in een land, waar onoephoudelyk door het weghakken
van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk
is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo
meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt
waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer
eene afteekening aan, verbeeldende een van hun, die op schildwacht
staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken
verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen
op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en
byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't
hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze
Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd
wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo
als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om
zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen,
die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken
der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een
iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste
plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers
is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een
neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de
huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om
de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene
bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt,
hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene
zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.

De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne
roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig
verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten,
en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende,
niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne
vyanden konden afmaken.

Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het
schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder
hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als
een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils
de slaven der Plantagien belet, om dezelven te verdedigen, wanneer
deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens
een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden,
na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting
in brand liet steken.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het
was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege,
in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als
ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy
leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy
stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden,
en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene
kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het
geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt
hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen,
noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de
legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst:
maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten
minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen
moeras opkwamen, van een gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer,
dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik
my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze
insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid,
zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven,
om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik,
en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt
onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.

Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig
genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe
hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap
aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de
geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende
menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk
dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers,
welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend
gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs
hooren konde.

Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht;
maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers
van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de
pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het
kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat
hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten
den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte,
men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met
hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder
den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De
brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk
uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen,
dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen,
of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren,
dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling
heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.

Den 17den, trokken wy tot negen uuren verder oostwaarts op: vervolgens
noordwaarts, en dwars door eene groote meenigte mataky wortels, welken
ik reeds beschreven heb; het geen ten bewyze strekte, dat wy afzakten;
en de grond wierd in de daad zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon
wy in het regen-saisoen waren, viel 'er weinig water.

Dien dag hielden wy omtrent vier uuren des avonds stil, want de
Colonel wierd door eene koorts met koude aangetast.

Terwyl ik in myne hangmat, die aan twee zwaare takken was opgehangen,
lag te slapen, viel myn oog op iets, het geen ik in 't eerst een blad
van een boom meende te zyn, maar my vervolgens bleek zig te bewegen,
en op den stam van den boom voort te schuiven. Oogenblikkelyk opgestaan
zynde, riep ik verscheiden van myne medgezellen, om hun dit zelfde te
doen zien, en dadelyk riep een Officier van 's Compagnies krygsvolk
uit; "het is het wandelend blad"! Na een naauwkeurig onderzoek bevonden
wy, dat het een insect was, wiens vlerken zoo zeer naar een blad
gelyken, dat verscheiden lieden het voor een voortbrengzel uit het
Plantenryk hebben aangezien: het was een zoort van springhaan, maar
bedekt met vier vlerken van eene eironde gedaante, en van omtrent drie
duimen lengte, waar van de bovenste zoo aan elkander vast kleefden,
dat zy juist een bruin blad met deszelfs vezelen scheenen te vertoonen.

Ik keerde dus naar myne hangmat te rug. De lucht was helder, de maan
scheen tusschen het loof der boomen, en ik viel in eenen diepen slaap,
overpeinzende de wonderen der natuur; myn slaap duurde tot middernacht,
toen ik, te midden der dikste duisternis, en eenen zwaaren stortregen,
ontwaakte door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelyker
tyd eenige snaphaan-schoten deeden. Hun schieten echter bereikte de
legerplaats niet, en wy waren uittermaten verlegen, want de donkerheid
maakte het ons onmogelyk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te
vormen. Zy hielden op die wyze aan tot het aanbreken van den dag,
het geen ons elk oogenblik deedt verwagten van door hun omcingeld te
worden: dienvolgende verdubbelden wy onze waakzaamheid.

Des anderen daags morgens rolden wy onze hangmatten op, en trokken
noordwaarts aan, naar den kant, van waar den voorigen nacht het geluid
zig hadt doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zynde,
waren wy zeer vermoeid, en vooral de Colonel, die moeite had, om het
staande te houden, zoodanig was hy door de koorts verzwakt. Ik voerde
het bevel over de voorhoede. Wy hadden geen twee mylen afgelegd,
of een oproerige Neger sprong byna voor myne voeten van onder eene
doornhegge, alwaar hy was gaan liggen slapen, maar dewyl wy last
hadden, om op de geenen, die verdwaald waren, geen vuur te geven,
ontsnapte hy ons, en liep zoo gezwind als een hart dwars door de
struiken weg. Ik gaf 'er bericht van aan den Bevelhebber, die zwoer,
dat hy een spion was, en ik geloof, hy had gelyk: dadelyk vergat hy,
om zoo te spreken, zyne kwaal, en verdubhelde zyne schreden met groote
drift. Onze vervolging echter was, ten minsten deezen dag, vruchteloos,
want op den middag vervielen wy in een groot moeras, waar uit wy veel
moeite hadden ons te redden; en wy waren genoodzaakt onze legerplaats
van den laatst voorgaanden nacht te hernemen, na twee soldaten van 's
Compagnies krygsvolk verloren te hebben, welken wy vooronderstelden,
dat in het moeras versmoord waren.

Dien zelfden dag zagen wy eene groote meenigte Roucou-boomen, die in
dit gedeelte van het bosch overvloediglyk gevonden wierden. Des avonds
boodt een slaaf my een Doornhaag-Spinnekop aan. Dezelve was van zulk
eene grootte, dat zy, in een kistjen van agt duimen hoog geplaatst
zynde, den rand met eenige van haare pooten raakte, terwyl de andere
op den grond stonden. De Schepping levert geen afschuwelyker wezen
op, dan deeze ysselyke Spinnekop, welke de inwooners van Surinamen te
onrecht voor de Tarantula houden. Derzelver lyf is verdeeld in twee
deelen; het agterste is eyrond, en heeft de gedaante van een appel;
het voorste is vierkant, en de kop gelykt naar een zoort van star, die
'er aan vast gehecht is. Dit gedrocht heeft vyf paar groote pooten met
vier gelederen. Het is geheel zwart, of van een donker bruine kleur,
en, zoo wel het lyf als de ledematen, geheel overdekt met lange,
dikke en zwarte hairen, veel gelykende naar die van een rups. Elke
poot is met een zoort van geele en kromgebogen klauw gewapend. Uit
den kop komen twee lange tanden, die met de binnenwaarts gebogene
punten een schaar vormen, even als die van een krabbe, waar van
zy zig tot het aanpakken van haaren buit bedienen. Het steeken van
dezelve verwekt altyd de koorts, zoo het al niet doodelyk is door het
vergiftig vocht, het welk zy in de wonde laat loopen. Deeze Spinnekop
heeft agt oogen, gelyk de meeste anderen, en voedt zig met allerleije
zoorten van insecten. Men beweert, dat de jonge vogelen aan dit dier
niet onsnappen kunnen, en dat het derzelver bloed uitzuigt. Deszelfs
webbe is niet zeer uitgestrekt, maar zeer sterk. Om kort te gaan, het
is een verschrikkelyk dier, waar van 't gezicht alleen in staat is,
om aan de lieden zelfs, die aan de beschouwing van de wanstaltigheden
der natuur het meest gewoon zyn, een afgryzen te verwekken. Alle de
gevaaren, alle de plagen, waar aan men dagelyks in de bosschen van
deeze gezengde landstreek is bloot gesteld, zyn talloos. Ik heb 'er
reeds een groot gedeelte van aangehaald, en 'er schieten 'er nog wel
zoo veel over om op te noemen. Onze ongelukkige soldaten konden daar
aan geen weerstand bieden; 'er stierf by aanhoudendheid een groot
aantal, zonder hulp, zonder vriend om hun de oogleden te sluiten,
zonder een kist om hun gebeente te bevatten. Men wierp hunne lyken
door elkander in een groot gat, als of zy het overschot van onze
natuur-genooten niet waren.

Den 19den, braken wy de legerplaats op, en na een weinig zuidwaards
getrokken te zyn, gingen wy oostwaarts, tot tien uuren, toen een
gedeelte van honderd Neger-Jagers, met hunnen leidsman VINSACK, tot
myn groot genoegen, zig by ons voegde; wy waren derhalven toen drie
honderd mannen sterk. Hoe weinig achting de Colonel FOURGEOUD op alle
andere tyden voor deeze dappere lieden betoonde, hunne versterking
mishaagde hem in 't geheel niet, op dit oogenblik, dat wy eenen vyand
naderden, dien zy wel kenden, en tegen wien zy met meer voordeel
streden, dan ons krygsvolk. Ik ben bovendien volkomen van gedachten,
dat een van deeze vrye Negers, als soldaat, in de bosschen van Guiana,
boven zes Europeanen den voorrang verdient.

De Colonel FOURGEOUD liet ons toen in drie kolommen, of liever in
drie linien optrekken. Zyn Regiment maakte het midden-punt uit;
het krygsvolk der Societeit was ter rechter, en de Jagers ter linker
zyde. Allen waren zy alleenlyk afgescheiden door eenen afstand, van
waar men elkander beroepen konde; en by elke vleugel waren eenige
lichters geplaatst. Aldus verdeeld zynde, vervolgden wy onzen tocht
oostwaards tot den middag, toen wy den zelven oost noord oost namen,
en aantrokken op een biry-biry, of groot moeras. De moerassen van
dit zoort zyn in dit land zeer gemeen en zeer gevaarlyk. Zy zyn vol
met een zeer dun slyk, en met een dikke en groene korst overdekt,
die op veele plaatsen een mensch dragen kan; maar die men onder zyne
voeten voelt buigen. Indien deeze korst breekt, worden allen, die
'er door heen zakken, in dit zoort van afgrond verzwolgen, waar in zy
ontwyffelbaar moeten omkomen, indien men 'er hen niet oogenblikkelyk
uittrekt. Op die wyze heeft men daar in meenigwerf menschen zien
verzinken, waar van men naderhand nooit meer heeft hooren spreken.

De zandpoelen zyn van een geheel anderen aart; men zakt 'er
trapsgewyze in, daar dit in de slykmoerassen eensklaps geschiedt. Om
deeze toevallen voor te komen, openden wy onze gelederen zoo veel
als mogelyk was, het geen dezelve zeer wyd van elkander maakte;
en in weerwil van deeze voorzorge, wierden verscheiden menschen
ingezwolgen, als of het ys onder hunne voeten was weggebroken. Ik
heb eenige anderen gezien, die, mede in den poel gevallen zynde,
'er tot onder de armen toe in zakten; maar wien het egter gelukte,
schoon met veel moeite, gered te worden.

Des namiddags trokken wy voorby twee velden, alwaar men maniok gehad
had; het geen ons deedt begrypen, dat wy aan de verblyfplaats der
muitelingen naderden. Korten tyd daar na ontdekten wy de voetstappen
van den tocht van Capitain MEYLAND, en wy herkenden die aan de
teekens, die op de boomen gesneden waren, zoo als ik reeds te vooren
heb opgegeven. Tegen den avond sloegen wy ons neder op den afstand
van eenige mylen van het moeras, waar in de krygsbende van deezen
Officier het leven gelaten had: het daglicht stondt ter deezer uur
niet lang genoeg meer te schynen, om den vyand te kunnen aantasten.

Onze soldaten door eenen langen tocht zeer vermoeid zynde, stondt de
Colonel hun voor deezen nacht toe, hutten op te slaan, en vuuren
aan te leggen. Ik was 'er uittermaten verwonderd over: hy had
ons dit zoort van verkwikking verboden, toen wy van den vyand zeer
verre af waren; en op het oogenblik, dat deeze naby was wilde hy het
gedogen. Ik maakte 'er echter gebruik van; en myn Sergeant, my eenige
duivenboonen, welken hy in een nabuurig land geplukt had, gegeven
hebbende, noodigde ik hem ten eeten, als mede een Neger-Capitain,
genaamd HANNIBAL. Wy wierpen alle drie ons gezouten ossen-vleesch en
bischuit in de ketel; vervolgens roerden wy het met een bajonnet om,
en deeden eene uitmuntende maaltyd, in weerwil van eenen akeligen
nacht, en een der zwaarste slagregens.

De duiven-boonen, of boonen van angola, groeien op een stronk van
agt of tien voeten hoog; zy zyn, ten getale van vyf of zes, in eene
peul besloten; haare kleur is bruin, en haare gedaante plat, gelyk
die der peul-vruchten. De Negers houden 'er veel van, en kweeken in
hunne tuinen, zonder veel kosten of moeite, de plant aan, die deeze
vruchten voortbrengt.

HANNIBAL, na my te hebben doen opmerken, dat wy des anderen daags
den vyand zekerlyk ontmoeten zouden, vroeg my, of ik wel wist, hoe
de Negers in een gevecht tegen elkander streden. Ik antwoordde hem,
neen; en dadelyk deedt hy my het volgende verhaal, zyn pyp onder myne
hangmat rookende.--"Masera", zeide hy my, "de beide partyen worden
gerangschikt in compagnien van agt of tien mannen, onder bevel van
eenen Capitain, een jagthoorn dragende, zoo als deeze", (hy toonde my
den zynen) "op welks geluid zy alle hunne krygsbewegingen verrigten,
en stryden, of de vlucht nemen. Wanneer zy stryden, scheiden zy zig
oogenblikkelyk van elkander, gaan op den grond leggen, en schieten
dwars door het geboomte op een zeer korten afstand. Elk die strydt,
word door twee ongewapende Negers geholpen; de een vervangt hem, als
hy gedood word, en de ander neemt het lyk weg, uit vreeze, dat het in
's vyands handen mogt vallen". [1]

Zyn verhaal gaf my een juist denkbeeld, van die manier van vechten,
welke ik zedert heb zien beoeffenen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen,
dat, wanneer het een dik bosch is, elke Neger, in plaats van op den
buik te gaan leggen, of de knie op den grond te zetten, zig agter eenen
grooten boom verbergt, welke hem tot een borstweering dient, en van
waar hy met meerder juistheid en minder gevaar vuur geeft in dit geval,
doet hy zyn snaphaan tegen den stam van den boom, of op een gespleten
tak, rusten, even gelyk de Indianen van Shawanese en Delaware doen.

Capitain HANNIBAL deedt my ook verstaan, dat men den beruchten BONNY
verdacht hieldt, van persoonlyk zig te bevinden onder de muitelingen,
in wier nabuurschap wy waren. Dit opperhoofd, schoon een Mulat zynde,
was in de bosschen geboren, werwaarts zyne moeder de vlucht genomen
had, om de mishandelingen van haaren meester, die haar bezwangerd had,
te ontgaan.

Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van
eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering
daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een
blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes
worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van
een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL,
noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen,
tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY,
hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in
geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO,
ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen
den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren;
en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden
toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder
het opperhoofd BONNY diende.

Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste
bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren,
andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame
bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl
zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de
verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast
geoeordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene
plaats te vergunnen.

Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden,
eer ik genomen worde.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17

Elliott Kastner obituary

John Makinson says that if people want to read using new technology, that's what publishers must give them

Penguin this week celebrates its 75th year and is marking the anniversary by repackaging a series of seminal books from the 1960s to the 1980s. Although the company might afford itself a brief look backwards, it feels as though there is little room for nostalgia in book publishing now, as the industry turns its face firmly – and apprehensively – to the future.

Amazon last week announced sales of ebooks on its US site had outnumbered hardbacks for the first time, stunning casual observers, even if it had not been entirely unexpected in the trade.

The launch of the iPad has added a sense of urgency. Where music went first, books are set to follow, although Penguin and other publishers would hope without the same devastating effects. Amazon this week launched a cheaper, more lightweight version of its Kindle ebook reader and a digital store on its UK site, while others, including Google, are muscling in. Digital book sales are still less than 1% of Penguin, but the direction of the market is clear. In the US, digital books already account for 6% of consumer sales.

Penguin chief executive John Makinson says he is a convert. The day after we meet he is on his way to India, as part of David Cameron's delegation, and had loaded titles on to his iPad, including a manuscript by John le Carré and some Portuguese classics (in English) ahead of Penguin launching a range in Brazil. He is also reading Lord Mandelson's diary. It simply makes sense, he says, instead of carting an armful of books in your carry-on luggage.

Innovation

"It does redefine what we do as publishers and I feel, compared with most of my counterparts, more optimistic about what this means for us," he says. "Of course there are issues around copyright protection and there are worries around pricing and around piracy, royalty rates and so on, but there is also this huge opportunity to do more as publishers."

Publishing, he says, must embrace innovation: "I am keen on the idea that every book that we put on to an iPad has an author interview, a video interview, at the beginning. I have no idea whether this is a good idea or not. There has to be a culture of experimentation, which doesn't come naturally to book publishers. We publish a lot of historians, for example. They love the idea of using documentary footage to illustrate whatever it is they're writing about."

The very definition of a book is up for grabs he says, although the company has just published a version of Ken Follett's The Pillars of the Earth for the iPad in the US that might provide clues – and horrify traditionalists. It includes scenes from a TV adaptation embedded in the text, as well as extras including the show's music soundtrack and Follett's video diary during the making of the series.

For now, Makinson says, digital books are expanding the market; hardback sales in the US are up this year, despite the march of ebooks. Piracy is not yet a significant issue and lessons have been learned from the music business.

"You have to give the consumer what the consumer wants – you can't tell the consumer to go away. So we didn't participate in this experiment where a number of publishers deferred publication of the ebook until a certain number of months after the hardcover publication. I thought that was a very bad idea. If the consumer wants to buy a book in an electronic format now, you should let the consumer have it."

He has added confidence, because with tablets such as the iPad, consumers are used to paying a subscription to the wireless operator and for "apps", creating a more benign environment than the wild west of the PC, where users are used to getting everything for free.

Penguin's profits more than doubled to £44m in the first half of the year. The company gained market share, but one reason for the dramatic improvement was the outsourcing of some design and production to India last year; the company now has around 100 designers in Delhi making books for Dorling Kindersley, belying the idea that Britain can at least live off its creative industries. Makinson defends the decision and says DK is now back in profit, which means it can reinvest in Britain: "We can't pretend we can do everything here. In order to be internationally competitive, some work needs to be done in other places."

About 8% of the publisher's sales are from its classics, including Jane Austen and Charles Dickens, and revenues are still growing, despite much of the copyright being in the public domain. It is launching the range in Mandarin, Korean and Portuguese. But it is not all highbrow. What would Penguin's founder, Sir Allen Lane, whose aim was to publish quality paperbacks for the masses, have made of Penguin putting out books "by" Peter Andre or Ant & Dec?

"Allen Lane's view was that we should publish good writing of all kinds for all audiences at affordable prices," Makinson says. "I'm not saying he would necessarily have approved every single publishing decision we take, but would he have approved of Penguin being a very democratic publishing company, publishing for lots of different tastes? I think he would definitely have approved."

Makinson has long been mentioned as a successor to Dame Marjorie Scardino, who runs Pearson, Penguin's parent company. Her departure has been a perennial question, though she has defied the investment community's chattering classes by staying in her post for well over a decade. She has also confounded expectations by keeping Penguin and the Financial Times in a group dominated by educational publishing. Makinson says it now makes more sense than ever for Penguin to remain part of the group, as the digital era draws each division closer.

He says there will still be the need for publishers in the digital world: "I used to have this discussion with [Hitchhiker's Guide to the Galaxy author] Douglas Adams. He created this thing called the digital village, an online publishing platform. Douglas's argument was, 'all of my friends will come along and publish on digital village and you the publishers will be disintermediated, you will be irrelevant'. Well, it hasn't happened. I am not aware of any successful direct to consumer publishing model that exists.

"The reason it doesn't work is that the publishers do actually perform quite a useful service: they edit the book, then they publicise it." In the physical world, they make sure it is stocked in bookshops, he adds.

Clubbable

Makinson, 55, perhaps feels more adaptable than some of his counterparts because he arrived at Penguin as an outsider. A clubbable character, he has taken an unusual career path, from a journalist on the Financial Times, to working for the Saatchis, setting up his own investment consultancy, running the Financial Times and then becoming Pearson finance director, despite having no training as an accountant.

But his passion for books is evident. Five years ago, he and his brother bought a bookshop in the small Norfolk town of Holt. For an out-of-the-way independent, the Holt Bookshop attracts a starry line-up of authors for events, including Stephen Fry, due to talk about his new autobiography, which, perhaps not surprisingly, is published by Penguin.

"We are all terribly sentimental about books," Makinson insists. "It is terribly important to me that we sell lots of wonderful books in my little independent in Norfolk, and when I talk about digital I do sometimes worry that it looks as though I am neglecting all this," he points to the books on the shelves behind him, "which I am not."

CV

Born: 1954, Derby.

Education: Graduated from Cambridge with honours in English and History.

Career: 1976-1979, journalist, Reuters; 1979-1986, journalist, Financial Times; 1986-1989, vice-chairman, Saatchi & Saatchi; 1989-1994, co-founder of capital markets advisory firm Makinson Cowell; 1994-1996, managing director, Financial Times; 1996-2002, finance director, Pearson; 2002-present, chairman and chief executive Penguin Books.

Other interests: chairman of the Institute for Public Policy Research, a director of the National Theatre and of the International Rescue Committee, a humanitarian organisation.

Family: Married with two daughters.


guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2010 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

The nostalgia narrative now aches to a different tune | John Freeman

Late-flowering writer of biographies and children's books

Verily Anderson, who has died aged 95, published more than 30 books – memoirs, biographies, children's stories and work ranging from personal reminiscences to Shakespeare scholarship and 10 Brownie books. She was a late starter: her breakthrough as a writer came in 1956, at the age of 41, when she published Spam Tomorrow, a deft and frequently uproarious account of her wartime experiences on the home front. Critics hailed it as a new kind of memoir, one of the first to explore the lives of women in wartime.

Before the success of Spam Tomorrow, she led a life that was colourful but frequently impecunious. Born in Edgbaston, Birmingham, the fourth of five children of the Rev Rosslyn Bruce and his wife Rachel (nee Gurney), Verily was always certain that she wanted to be a writer. As children, she and her brothers edited and wrote a nursery magazine which they called the News of the World. Verily's haphazard schooling ranged from a few years at Edgbaston high school for girls to being taught at home by her mother, to a brief and unsuccessful stint at the Royal College of Music in London. She said she worked at "100 different jobs" (including writing advertising copy, illustrating sweet papers and working as a chauffeur) before the outbreak of the second world war, when she enlisted with the First Aid Nursing Yeomanry, on the grounds that if there were going to be a war, it would be "less frightening to be in the middle of things".

During the war she met Donald Anderson, a writer who specialised in military history. They married in 1940 and had five children. With his encouragement, she made a precarious living as a freelance writer, while papering her lavatory walls with rejection slips received from publishers for her book projects. Her persistence was at last rewarded with the success of Spam Tomorrow – and a further half-decade on the bestseller lists. These years included a film adaptation of her 1958 memoir, Beware of Children, called No Kidding and starring Leslie Phillips and Geraldine McEwan (1960).

Donald died in 1956, and by the mid-60s Verily was again struggling financially. She was rescued by the actor Joyce Grenfell. They had struck up a friendship when Verily interviewed Grenfell for the BBC. Grenfell was so shocked at the conditions she found Verily living in that she bought her a home in Northrepps, a village in Norfolk, where she stayed for the rest of her life, writing dozens more books (including the critically acclaimed The Northrepps Grandchildren in 1968) and glorying in the role of matriarch to an ever-expanding family of children, grandchildren and great-grandchildren. When Verily married Paul Paget, architect and surveyor to the fabric of St Paul's Cathedral, in 1971, Grenfell was matron of honour.

In 2008 I conducted what turned out to be Verily's last interview. Letting myself in after some fruitless bell-ringing, I followed the sounds of a piano to her study door. "Oh my dear," she said, looking up at my knock. "There you are. Now – shall we have a gin, before we start?"

I had already heard all about Verily through her daughter, my friend the writer Janie Hampton, and so had a good idea what to expect. Janie's main piece of advice on hearing that we were going to meet was: "Whatever you do, don't let her pick you up from the station – she's half-blind." She also said: "Don't eat any of the cake she offers. She's always got some, and it's always about five weeks old."

Verily did have cake and it was past its best – but Verily definitely was not. She regaled me with anecdotes. I came away with the image of a woman with a twinkle in her eye, who after eight decades of writing was still full of energy and enthusing about her latest project. This – a memoir of the time she spent at Herstmonceux Castle, Sussex, in the 1930s and 40s – was completed the day before she died.

Verily is survived by her children, Marian, Rachel, Eddie, Janie and Alexandra, 16 grandchildren, 14 great-grandchildren – and Alfie, her beloved RNIB guide-dog.

• Verily Anderson, writer, born 12 January 1915, died 16 July 2010


guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2010 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Tom Stoppard returns to BBC with Ford Madox Ford adaptation

The American literary genre of you can't go home again – that fertile ground farmed by Faulkner, Twain and Kerouac – has in the last half-century found a new voice abroad

At six foot, six inches tall, Thomas Wolfe had trouble entering most rooms. But he also had a problem with going back through them, especially if they led to the past. He had told too many truths – and too many lies – about where he came from in North Carolina.

In his posthumous 1940 novel, You Can't Go Home Again, he gave Americans a literary catchphrase for the pain so many of us who wind up far from where we grew up feel acutely.

After all, in the case of many Americans, if you leave the provinces only to return home, you are marked as a failure. At the very least, you run the risk of finding that flight has spoiled any fond memories you managed to smuggle out.

Think of the successful ad-man hero of John Updike's The Farm, who returns to his family's crumbling Pennsylvania farm for an emotionally fraught visit, or Quentin Compson of William Faulkner's Absalom, Absalom, shivering in his dorm room at Harvard, who begins his defence of the American south with the ringing endorsement, "I don't hate it ... I don't hate it."

This thread of conflicted nostalgia is strongest in America's most autobiographical novelists, especially the ones who had to leave to write but continuously dial back the past in their work: writers such as Jack Kerouac, who frantically travelled America, but wrote most of his later books about Lowell, while living with his mother in Queens and Florida.

Then there's Mark Twain, whose autobiography appears in the new issue of Granta, who rose out of Missouri and saw the world, but settled in Hartford, Connecticut in a white mansion that everyone around him could see looked exactly like a river steamboat.

But like so many things America feels it has invented, from democracy to baseball, the you-can-never-go-home again narrative is hardly unique to it. In fact, in the last half-century (and especially in the last 20 years, as diaspora writers from the Dominican Republic to Nigeria to India and Pakistan have emerged as some of our most vigorous storytellers), nostalgia – which is a combination of "returning home" and "ache" – has taken on a different texture.

In Granta's new issue, there's a story by the Sudanese writer Leila Aboulela, about a young man who has come to London from Khartoum to study mathematics. His mother, who worries he will never return, arranges for him to marry a devout Muslim wife – a move which backfires when she comes to London and reminds him of everything he left behind. Chimamanda Adichie, meanwhile, has a story about a Nigerian "big man" whose life is turned upside down when his ex-girlfriend announces she has come back to Lagos. As he speculates about the reasons for her return, Adichie's hero worries whether he has sacrificed something essential in his rise to the top.

In stories like these, not to mention the novels of Monica Ali or Kiran Desai or Uzma Aslam Khan, the export duty to elsewhere is high. The past isn't just the past – it's another country. And for reasons political and personal, there is no going back.


guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2010 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.