A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne
verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu
een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche
vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was
gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit,
en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van
uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met
weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem
opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer
schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen
er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen
als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en
overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar
omlaag.

--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer
onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen
reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te
doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen,
maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook
voor uzelf kan zijn?

--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;--
wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet
hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.

--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks
omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u
van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk
aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling
ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw
zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner
grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens
tegenvallen.

--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in
de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt,
en ik gehoorzaam uw bevel!

--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker
naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,--
wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer
in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo
stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in
de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt.
Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte
zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te
weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan
uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van
uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.

--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt
zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed
konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche
twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.

--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet
schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt
zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt
gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te
dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de
trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in
Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings
blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege
geboden wordt.

--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder
schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van
hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u?
En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?

--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in
het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk
gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn
blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die
vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een
wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie
ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij
te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene
die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel.
En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en
knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt
nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan
ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen
voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt
van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze
genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en
Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd
met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar!

--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet
gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt
ge van mij?

--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot
werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen
mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den
beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het
oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan
tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk
vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard
van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging
hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u
steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan
zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een
veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde
u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!

--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw
meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch
verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij
vertrouwt!

--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden
lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te
gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u
gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te
betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan,
of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar
straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij
nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel
eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons
onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat
aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek
besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder
voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch
onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.

--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar
smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik
loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide
te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en
ik gehoorzaam!

--Uw woord!

--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers
dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt.
En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij
dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij
dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de
eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit
mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde
was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij
hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt,
eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger
aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de
slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe!
Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang,
behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken
en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne
zoolang ons te leven rest!

--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde
waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet,
zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten.
Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere
banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.

--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of
liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou
den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge
ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal!
Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone
Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed
heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo
min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn
bescherming geniet.

--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en
zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.

--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was
het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir
weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats
te behouden voor u en voor mij.

--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in
waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen
avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze
vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later
misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet
alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij
vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij,
die gij zegt lief te hebben!

Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de
borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding
zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed;
mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't
Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer
denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten
zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten
dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren,
is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in
het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts
verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen
te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig,
zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een
tijdigen, nu wel gewenschten dood.

--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon
der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid
zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke
vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen
haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de
kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo,
gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik
kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet
u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't
ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige,
door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook
gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.

En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij
nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen
had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar
nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een
der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone
innemendheid hem gebeden had.

Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om
straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn
geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter
zijde.

--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer
herinneren, ik denk niet meer!...

--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan
zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En
een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne
ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend
Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer
te verlevendigen wist.

--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd,
en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den
minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide
bruid:

"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken,
Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;
Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,
Door teedre min tot dartel spel vervoerd.


De boezem rijk met parelen omwonden,
Het zijden kleed om slanke heup geplooid,
De lokken los met bloemen opgebonden,
Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.


Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen
Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet
Door zachten klank der rinkelende ringen
Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?


Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,
En gouden gordel slanke leest omsnoert,
En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,
Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?


Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,
Met ligte dauw bepareld, nog omhult!
Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,
Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...


Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,
En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,
Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,
Den God der Liefde uit lange winterrust..."


De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en
digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem
op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen
gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar
tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.

--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu
en voor altijd mijn!

En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals
slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....

Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst
donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die
tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam
rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met
het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had
het omgeworpen.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

Een verzoeker

Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het
balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten,
vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide
gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd
sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen
daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde
onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of
ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig
deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei
vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en
dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel,
soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin
bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet
minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek
op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan
haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog
had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En
waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst
maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder
gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar
weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en
kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene
afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en
dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten
moest!

Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder
gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.

--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij
waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden
bezoek ....

Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de
ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.

--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam
als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins,
die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt
vertoeven.

Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere
teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar
onmogelijk.

--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er
menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u
wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's
Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het
heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van
belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij
nu!

Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat
oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar
schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige
schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al
zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele
houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo
ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking
van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te
hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne
begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had
voorgesteld.

--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u
de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds
meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die
hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan
dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't
oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans
persoonlijk uwe kennis te mogen maken.

--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik
bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het
stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in
vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker
wel heel wat rijker zal zijn.

--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu
en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker
niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u
van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?

--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.

--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,--
het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter
eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen
burgt haar vertoond kan worden!

--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne
dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden
echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met
zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.

Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen,
viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij
onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en
een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen
over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg
Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug
te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati,
weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en
geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat
hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik
Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig
reisgewaad vertegenwoordigde.

Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een
derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel
verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te
beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in
Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de
Doerga-priester.

--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,--
schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór
alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij
thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te
onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te
worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons
drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een
en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen
het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd
heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah!
Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu
gij, Salhana!

--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat
naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de
echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste
tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al
lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten
welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een
omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn
volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der
hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet
weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden;
hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een
dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen
hij verraad noemt.

--En uw neef?--vroeg Selim.

--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben
gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem
eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij
gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel
in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk
te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne
bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar
beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal
hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog
onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft
hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden
tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne
Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir
heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan
uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op
het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de
Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de
meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.

--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom.

--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon
staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door
ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend
tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier
wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij
geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het
Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der
rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat
dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen,
na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den
togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan
valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af,
vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar
genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels
hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot
Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de
schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er
misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet
onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten
gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.

--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel
overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen
zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat
er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds
voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir
verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was
geraakt?

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Site of the Week: The International Literary Quarterly

An intricate, kaleidoscopic, all-embracing history of 20th-century music from Mahler to La Monte Young is the winner of this year's Guardian first book award. Alex Ross's The Rest Is Noise was the clear and undisputed winner of the £10,000 prize, which has been presented at a ceremony in central London tonight.

The chair of the judging panel, Guardian literary editor Claire Armitstead, said: "In some quarters this book has been seen as not having a popular appeal. Our prize – which, uniquely, relies on readers' groups in the early stages of judging – proves that, on the contrary, there is a huge appetite among readers for clear, serious but accessible books."

According to one judge: "Where Ross lifts his book above the 'expert' and impressive to the 'good read' category is in the way he wears his learning lightly, never clutches for false or contrived ways of explaining music, and never dumbs down in order to explain."

One of the members of the Waterstone's reading groups, who helped in the judging process, said: "Every time I felt overwhelmed by the technicalities, along came a sublime metaphor or simile that would light up the prose."

Ross, who is the music critic of the New Yorker, has distilled a lifetime's enthusiasm and learning into a rich narrative of musical history, setting the works of Mahler, Schoenberg, John Cage and the rest into their cultural and political contexts – but also giving a vivid sense of what the music he describes actually sounds and feels like.

Of all the artforms, modern and contemporary classical music is often seen as the most rebarbative. Ross brushes aside the mythology of 20th-century music's "inaccessibility" as he charts its meandering histories. Along the way, fascinating connections are made: hip-hop has more in common with Janacek than you might think; Arnold Schoenberg and George Gershwin were tennis partners; Gershwin, in turn, was an ardent fan of Alban Berg and kept an autographed photo of the composer of Lulu in his apartment. If there is an overarching idea to the book, it is perhaps contained in Berg's pronouncement to Gershwin: "Mr Gershwin, music is music."

Ross, 40, was born in Washington DC, and studied English and history at Harvard. An enthusiastic teenage musician and student broadcaster, he began writing music criticism after university and in 1996 was appointed music critic of the New Yorker. His blog – also called The Rest Is Noise – has been a trailblazer in harnessing the internet as a way of amplifying (often literally) his writing on music.

The New York Review of Books described The Rest Is Noise as "by far the liveliest and smartest popular introduction yet written to a century of diverse music". The Economist noted: "No other critic writing in English can so effectively explain why you like a piece, or beguile you to reconsider it, or prompt you to hurry online and buy a recording."

Nicholas Kenyon, managing director of the Barbican and a former Observer music critic, said: "At a time when people are still talking about 20th-century music as if it were a problem, here is a lucid and entertaining book about what I regard as some of the greatest music ever written. It's a wonderful way to advance the cause of 20th-century music to an ordinary, intelligent general reader. It's the ideal mix of enthusiasm and information."

This year's judging panel comprised novelist Roddy Doyle; broadcaster and novelist Francine Stock; poet Daljit Nagra; the historian David Kynaston; novelist Kate Mosse and Guardian deputy editor, Katharine Viner. Stuart Broom of Waterstone's also joined the deliberations, speaking as the representative of the readers' groups.

The other books on the shortlist were Mohammed Hanif's A Case of Exploding Mangoes; Ross Raisin's God's Own Country; Steve Toltz's A Fraction of the Whole (which was also shortlisted for the Man Booker prize) and Owen Matthews's Stalin's Children.

Previous winners of the prize have included Stuart: A Life Backwards by Alexander Masters (2005) and Zadie Smith's White Teeth (2000).

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Win copies of The Art of Romance
Highlights from a century's worth of romantic fiction told through 100 years of Mills & Boon covers. Plus your chance to win them all

Rowling's Beedle the Bard revives Harry Potter midnight magic
Your chance to win a copy of this beautifully illustrated pictorial history of the venerable romantic fiction publisher

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.