A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne
bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand
anders dan onze vriend Koelloeka zelf.

--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!

--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de
allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt;
het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist
wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de
overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn
ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en
wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden,
bleven toch buiten schot.

--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk
lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor
uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft
ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?

--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver
stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook
niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u
toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot
het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den
Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van
godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate
onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt
kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord,
maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet
enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der
overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de
weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten
zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden
hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te
laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en
Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent
de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en
meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te
stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute
oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij
't vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste
afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten
waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen
aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de
lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij
verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die
bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst
verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens,
verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel,
waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was
bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat
men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat
hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel
steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den
bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel
eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar
was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig,
in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij
begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan
noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en
zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die
niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een
spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed!
Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en
onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen
geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles
uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan
volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt.
Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds
omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo
gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks
nader!

--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten
erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens
ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te
brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten
welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal,
als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te
worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend
is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg
ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig,
dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden
kunnen stellen.

--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te
noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig
niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u
duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor
uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren
kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste
staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den
Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk,
met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch
zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van
anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere,
moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij
heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den
troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven,
dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot
heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang,
schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt.
Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een
gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden.
Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard
zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk
en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den
geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij
onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de
rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een
levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig
fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u
of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen
begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het
meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den
hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf
vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij
wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij
nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in
zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei
vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik
gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij
eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te
hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht
heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd
met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt
de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en
tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang,
door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam,
is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een
mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men
hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging,
terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan
staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef
kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet
gelukken mogt.

De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders
nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds
wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen
reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de
beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet
aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich
staren.

--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze.
Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en
zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't
eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer.
En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed
als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen
vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht
en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over
hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te
beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt.
Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en
vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het
duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied
voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en
elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken,
die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor
hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen
aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun
mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook
omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb
ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel
najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg
het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel
daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten
de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het
doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen
streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook
bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het
zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet
alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene
kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid
zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het
eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog
geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en
in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.

Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik,
welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.

De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,--
welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een
bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt
het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van
hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in
't hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig
weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den
tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten
ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar
gewijden priester heeft aangewezen.

--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans
Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad
overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode,
en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken.
Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk
onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet
volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den
Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo
niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?

--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de
Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet
verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever
nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan
onheil voor het land en het volk voorziet.

--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh.

--Wat bedoelt gij?

--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u
niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van
veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker,
in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood
waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land
terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad
nog tot de levenden behoort.

--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij
meent toch niet....

--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel
Nandigoepta.

--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!

--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent
zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling
verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar
alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen,
dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den
Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen
betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien,
let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een
bezoek heeft gebragt.

--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim.

--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de
zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de
ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden
juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide
toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis
als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu
mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe
Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te
verwijderen?

Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou
hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt
hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.

Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij
eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat
uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den
burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van
Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich
op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag
en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen
eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal,
in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen
de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die
festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse
bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke
dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden
stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook
Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien
aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk
en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler
volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge
standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!

En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij
bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader,
't zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze
waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een
volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid
jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en
ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had
kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende
hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles
eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne
gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een
lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och!
of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij
zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en,
het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere
wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij
eenmaal te vervullen had!

Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een
der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare
verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de
meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde
zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een
zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en
bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu
en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het
klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare
landelijke dansen.

Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de
avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek
naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel
van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning
op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den
Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig
hoffelijke wijze haar begroette.

--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust
van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen.
Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig
vallen.

--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet
anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat
zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was
op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met
stille en eenzame wandelingen.

--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u
daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer
eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf
houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen
onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de
stilte breken van den nacht.

Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe
die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?

--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet
geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij
voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet
terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard,
een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar
ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden,
en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich
misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor
eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten
zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en
ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige,
verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk
genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat
alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks
vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt
ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in
uwe hand!

--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te
moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te
wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins
strekken moest.

--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg,
wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg
gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt
gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand
anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij
met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener
eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het
eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde
ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn
lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had
neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij
klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u
terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij
duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben.
Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs
en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den
avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog
niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan
onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het
openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als
de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van
schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's
anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit
genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de
feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de
meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen
Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en
beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde
onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een
nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking
moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker
te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik....

--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen
smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed
waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!

--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat
er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt
wordt door mij!

--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet
wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander
heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet
kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu
eenmaal dien anderen toebehoort.

Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de
sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij
onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen
stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de
gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een
medeminnaar te wachten stond.

--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben,
bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een
jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik
nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch
nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk
der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die
uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt,
wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over
de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe
weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke
verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten!
Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot
heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen
de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en
Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk,
zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever
de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan
de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en
laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet
buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt!
Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik,
dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner
toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet,
een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken;
want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal
mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen
onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun
en bescherming vinden bij u!

Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een
antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf
blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich
afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat
met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar
voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Obituary: Fred Newman
New excerpts from Darwin's letters and diaries, along with contemporary cartoons and photographs, show how his revolutionary On the Origin of Species was received

What were your favourite books before you could read?
American values set to be the subject of book by man who challenged Barack Obama's tax proposals

French literary prize season ends with triumph for Serge Bramly
Molly Flatt: The shapes of words and pictures on the page make a strong impression on young synapses. What were your pre-literate favourites?

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.