Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21
--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de
vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning
zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander
mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was!
Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in
mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran
misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar
ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan
uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat
dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van
Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken
om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij
driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied,
mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij
versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door
onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk
ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en
ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in
toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij
weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat
reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe
hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en
afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog
onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben
geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in
een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe
anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan
heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!...
--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven
onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog
tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en
versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had
ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer
nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde,
ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.
Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij
vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik
mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers
de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar
zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten
zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had
niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen.
De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit
mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid
zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te
leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders.
En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen
misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de
ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders
gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij
zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den
nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar
mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner
nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken,
waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u
gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij
betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe
handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal
roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den
grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen
uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke
belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die
thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den
moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!
Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord
zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn
gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór
de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich
terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de
tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar
verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe,
greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben
aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord
verder te spreken, in de duisternis.
's Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat
de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen
dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De keizerweging
Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den
morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat
het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs
betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge
en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de
verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich
daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de
oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder
zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár
de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en
Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden
uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met
hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele
mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok,
vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge
kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte
wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte
degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun
gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet
lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer
tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren
van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en
uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van
niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend
onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig
steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den
regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch
gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden
en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan
een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere
oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van
den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige
eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of
zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen;
maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te
zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan
te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt
gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen
naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.
Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem
nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger
Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.
--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer
bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre
streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die
anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij
noemen het alléénzaligmakend geloof.
--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen,
behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding,
maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en
baard!
--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen
onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken
te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.
Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien.
Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde
Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten
onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen
kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er
dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe
gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die
mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar
almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der
Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide
voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de
markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die
ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem
zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij
bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare,
verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te
betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.
Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen
Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van
nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van
beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem
omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan
dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te
betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te
achten.
--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van
Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.
Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër,
dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans
nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen
werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal
de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het
land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer
opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling
zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij
de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en
dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader
bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras
gesproten vrienden.
--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,--
die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel
veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons
verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun
eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet
trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun
smaak schijnt te vallen!
--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei
Siddha.
--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu
iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden,
zooals wij hadden afgesproken?
--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een
alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op
het paard van Feizi.
--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal
laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den
aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is,
ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo
't mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist
buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel
bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van
wat zachter beweging.
--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is
waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb
verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er
nog nooit een gereden heb.
--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch
ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen.
En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd
gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in
weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond
hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en
theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de
gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer
over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen
van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk
ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en
een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester
Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl,
mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig
te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische
natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij
soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen
Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein
bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische
ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen
Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet
toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan
dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo
belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer
voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de
afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo
ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's
bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren
heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling
van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon
hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te
voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te
begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en
bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en
ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden
opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen
bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt,
begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot
magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk
tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel
niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een
gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den
Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de
moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich
hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen
zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en
keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem
toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou
worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij,
mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer
behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste
gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten
einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan
te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders
niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof
ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou
't toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er
nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar
lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de
meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem
verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij:
--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe
welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder
verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst
aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de
hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich
al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek,
dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over
zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die
ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van
wat eer en pligt hun gebieden!
--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg!
--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan
de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.
--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te
vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met
de uwen reeds naar 't leger op weg waart.
--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds
vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we
dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet,
omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden,
het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel
gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog
gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet
noodig er bij te voegen.
--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal
worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer
ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij
kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.
Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den
Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te
zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was,
door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den
bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet
nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met
fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige,
fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en
fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de
hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem
ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan
bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven
beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op
zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan
weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en
oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van
hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in
hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten,
en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook
Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.
Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van
geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op
zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de
officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan
het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de
geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van
kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de
troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst,
die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho
Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig
gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op
de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een
paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen
van den zendeling aannam.
--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte
geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u
hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.
En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een
sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij
dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:
--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste
heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische
vertaling.
Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het
de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er
niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van
den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien
den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden
aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en
er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn
gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe
de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En
werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met
de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne
verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het
tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te
kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in
het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone
eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte,
schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze
uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo
verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't
overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van
den vorigen avond wel iets hadden verdiend.
Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen
tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot
zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of
ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien
zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.
--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te
zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar
over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!
Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend
en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer
zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen
van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog
minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en--
Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne
spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was
dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de
verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt
verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo
openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer
benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling
toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.
Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke
volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld
buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en
langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters,
velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden
ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten
gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden.
In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend
Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die
hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.
--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?
--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei
de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart
behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer
in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat
Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets
tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't
hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet
geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou
de vrome Abdal Kadir zeggen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21