A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in
een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der
aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn
toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval
strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al
voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.

Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel
vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene
onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het
groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei
wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele
olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende
dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling
tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te
weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier
gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid,
en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was
beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en
gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus
gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van
een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met
hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond
gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking
verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat
haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze
getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de
regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.

Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en
sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon.
In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten;
de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich
nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden
zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden
geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen
tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was
gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der
edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog
in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en
goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want
ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt
bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen
iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop
daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd
met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich
de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de
omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm
van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem
overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan
hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord,
waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het
volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een
welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen
meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.

Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag
begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke
bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig
gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende
sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds
dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en
op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische
dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar
ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de
wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier
vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën
eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden
met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte
mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren,
met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde
en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden.
Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de
aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling
opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds
dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.

--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men
zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar
waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is
de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat
ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks
pijn van schijnen te gevoelen.

--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,--
antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons
hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars
als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en
wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der
plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers
zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar
dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar
ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder
te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven
aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend,
maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij
niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze
zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door
haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner
kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij
bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds
voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun
geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.

--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.

--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden.
Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar
hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden
krijgen?

--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast
zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!

Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde
tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding
gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van
hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en
weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide
strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden
door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot
den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar
genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten
omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat
de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten
elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden,
terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan
weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te
klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend
geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere
achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen,
terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt
kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd
open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen
tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot
gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de
hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en
langzamerhand verliet men weder de tribunes.

--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen,
--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.

--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij
kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij
zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is
beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn
persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker
wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van
roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren
opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en
jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij
eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook
wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn
overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou
durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij
gelegenheid wel eens van vertellen.

Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd
lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en
naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan,
terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van
een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar
toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar
andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met
een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden
sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet
bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en
naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat
kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de
meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering
te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had
te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem
dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?

Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk
viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een
anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:--
Kent gij die vrouw?

--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den
waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker!
zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet
weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel,
vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....

En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend
een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit
was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als
bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste
rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij,
door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....

--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval
wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!



TIENDE HOOFDSTUK.

Verrassingen

--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde
houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch,
hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan
verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want
Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't
zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.

--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed
mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig
door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw
van Feizi niets te maken heeft.

--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.

Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,--
geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel.
Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....

--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel
te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u
ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!

En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was
spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even
snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.

Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het
niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in
een roes van dronkenschap.

Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal
onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man,
die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn
opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd
zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming
ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met
onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en
schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had
gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die
hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en
alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer
gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste,
kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te
toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven
van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige
voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze
zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze
hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was
dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...

Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne
schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de
onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de
woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,--
gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de
meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte
villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het
uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het
aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar
het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór
denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine
poort zich weer geopend had, naar binnen.

Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te
voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't
oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger
waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het
vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.

--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik
dacht dat gij lang vertrokken waart!

--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik
ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik
zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel
zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het
niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek
ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!

In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote
alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met
zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in
't openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als
anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door
hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn
medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen
te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag
bovendien niet in hare taktiek.

Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens
haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde
zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder,
terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.

Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon,
zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem
nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten
haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou
hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog
had opgevangen.

Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen
redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de
betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...

Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige
lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich
met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of
uit een bezwijming ontwaakt.

--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha
weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te
moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige
voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat
de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw
het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid
geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank
beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste
aller misdrijven.

--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met
zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet
u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór
lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch
hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd
verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting
moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan
toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik
misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds
met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar
zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra
ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die
niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u
vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te
maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als
voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe
onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne
liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel
bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige
band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot
mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk
genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken,
althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was
zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die
den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die
scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en--
ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander
vaarwel zeggen?

En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de
hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen
hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een
vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van
duur.

--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de
aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw,
die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen
sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u
geen misdaad en geene schande!...

...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven
spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij
hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne
eer!...

Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een
einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog
badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels
ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij,
eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine
poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als
van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die,
zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te
sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde
plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien?
Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze
onvoorzigtigheid; maar het was te laat.

--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de
ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook
nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.

--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet
met meer!--was het drieste antwoord.

Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand
aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich
hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden
nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in
de schede glijden.

--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe
verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u
dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't
er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En
jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de
uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt,
eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en
vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder
deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze
op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre
onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen
mijn bezoek vooreerst uit te stellen.

En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha
eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer
zorgvuldig achter zich toe.

--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning,
links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,--
voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te
verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem
stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven
tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer
verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd
als verbluft staan bleef.

--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!--
mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde;
--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van
onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik
nader wel vinden!...

's Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het
buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de
dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij
had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen
bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon
natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van
denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd
terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in
den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich
toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug.
Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar
Allahabad.

Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had
Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne,
kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich
telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als
vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw;
daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar
door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél
bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen.
Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een
vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te
maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te
onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat
zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.

Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek
doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar
verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en
naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst,
maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of
zwijgen moest.

--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij
brengt mij slechte tijding.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Site of the Week: The International Literary Quarterly

An intricate, kaleidoscopic, all-embracing history of 20th-century music from Mahler to La Monte Young is the winner of this year's Guardian first book award. Alex Ross's The Rest Is Noise was the clear and undisputed winner of the £10,000 prize, which has been presented at a ceremony in central London tonight.

The chair of the judging panel, Guardian literary editor Claire Armitstead, said: "In some quarters this book has been seen as not having a popular appeal. Our prize – which, uniquely, relies on readers' groups in the early stages of judging – proves that, on the contrary, there is a huge appetite among readers for clear, serious but accessible books."

According to one judge: "Where Ross lifts his book above the 'expert' and impressive to the 'good read' category is in the way he wears his learning lightly, never clutches for false or contrived ways of explaining music, and never dumbs down in order to explain."

One of the members of the Waterstone's reading groups, who helped in the judging process, said: "Every time I felt overwhelmed by the technicalities, along came a sublime metaphor or simile that would light up the prose."

Ross, who is the music critic of the New Yorker, has distilled a lifetime's enthusiasm and learning into a rich narrative of musical history, setting the works of Mahler, Schoenberg, John Cage and the rest into their cultural and political contexts – but also giving a vivid sense of what the music he describes actually sounds and feels like.

Of all the artforms, modern and contemporary classical music is often seen as the most rebarbative. Ross brushes aside the mythology of 20th-century music's "inaccessibility" as he charts its meandering histories. Along the way, fascinating connections are made: hip-hop has more in common with Janacek than you might think; Arnold Schoenberg and George Gershwin were tennis partners; Gershwin, in turn, was an ardent fan of Alban Berg and kept an autographed photo of the composer of Lulu in his apartment. If there is an overarching idea to the book, it is perhaps contained in Berg's pronouncement to Gershwin: "Mr Gershwin, music is music."

Ross, 40, was born in Washington DC, and studied English and history at Harvard. An enthusiastic teenage musician and student broadcaster, he began writing music criticism after university and in 1996 was appointed music critic of the New Yorker. His blog – also called The Rest Is Noise – has been a trailblazer in harnessing the internet as a way of amplifying (often literally) his writing on music.

The New York Review of Books described The Rest Is Noise as "by far the liveliest and smartest popular introduction yet written to a century of diverse music". The Economist noted: "No other critic writing in English can so effectively explain why you like a piece, or beguile you to reconsider it, or prompt you to hurry online and buy a recording."

Nicholas Kenyon, managing director of the Barbican and a former Observer music critic, said: "At a time when people are still talking about 20th-century music as if it were a problem, here is a lucid and entertaining book about what I regard as some of the greatest music ever written. It's a wonderful way to advance the cause of 20th-century music to an ordinary, intelligent general reader. It's the ideal mix of enthusiasm and information."

This year's judging panel comprised novelist Roddy Doyle; broadcaster and novelist Francine Stock; poet Daljit Nagra; the historian David Kynaston; novelist Kate Mosse and Guardian deputy editor, Katharine Viner. Stuart Broom of Waterstone's also joined the deliberations, speaking as the representative of the readers' groups.

The other books on the shortlist were Mohammed Hanif's A Case of Exploding Mangoes; Ross Raisin's God's Own Country; Steve Toltz's A Fraction of the Whole (which was also shortlisted for the Man Booker prize) and Owen Matthews's Stalin's Children.

Previous winners of the prize have included Stuart: A Life Backwards by Alexander Masters (2005) and Zadie Smith's White Teeth (2000).

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Win copies of The Art of Romance
Highlights from a century's worth of romantic fiction told through 100 years of Mills & Boon covers. Plus your chance to win them all

Rowling's Beedle the Bard revives Harry Potter midnight magic
Your chance to win a copy of this beautifully illustrated pictorial history of the venerable romantic fiction publisher

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.