A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou
wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik
u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld.
Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te
verzwijgen.

--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid
aan te hooren wat gij te zeggen hebt.

En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit
Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst
sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker;
eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het
avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De
uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als
wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had
Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen
sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:

--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de
waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?

--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven
misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij
verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den
Kroonprins.

--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak
volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve
er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede
Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het
niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt.
Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het
voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in
't vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes
heeft bezig gehouden!

Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover
zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had
verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de
mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken.
Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen
tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins
Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets
was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had
inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche
lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha
te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet
onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich
verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te
beantwoorden.

--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te
verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor
mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe
getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de
overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.

--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van
toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is
genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik
zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.

--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel
verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen
toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te
bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt
gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig
praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon
worden gestaafd?

--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?

--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de
strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te
brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha,
niet waar?

--Ongetwijfeld!

--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de
beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde
van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben
ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk
gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde
vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte
brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde
malen voorkwam.

Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen
begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om
en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de
hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware
neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een
nabijzijnde rustbank had nedergevleid.

Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en
onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen
nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud
heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich
tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.

--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet
aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere
heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en
mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet,
gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een
vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met
uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne
gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere
zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!

--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw
u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere,
en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg
niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering
verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven
allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander
die bieden kan, aan uwe voeten legt?

--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld
denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook
niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen,
zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het
hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het
werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig
heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer
van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle
gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.

--En is dat dan niet overvoldoende?

--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van
grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den
echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden
bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij
getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De
gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen;
of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te
verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven
gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op
den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot
verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden
en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den
onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele
Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor
zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij
verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is
gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend
leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal
geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en
rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik
beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!

--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te
hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij
ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting!
Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is
geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u
aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang
geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien
een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen
verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en
geen edelere ken dan u!

--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u
smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook
onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik
gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om
alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik
vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.

--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij
toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik
maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het
maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in
mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.

En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de
galerij.

Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die
haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg
zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend,
weende zij bitter.

Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag
zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de
nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.

--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan
zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben
opgemerkt,

--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder
leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had
de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef
alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken
pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij
zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge
uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle
herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de
nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij
aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof
mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig
oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene
dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam
verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets
mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de
wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost
zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog,
Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot
mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang,
en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij
't mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!

--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.

--Gij weet het? En hoe?

--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.

--En uw antwoord?

--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.

--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis
uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?

--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.

--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe
keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.

--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem
trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.

--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij
zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen
van uw woord.

--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere
begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te
doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan
uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven,
die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er
geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van
zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na
hem.

--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde!
Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken
van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet
te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven
en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een
onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft
volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u
aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt
aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om
een droombeeld, een gril.

--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen
bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar
uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden
mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden
mij evenmin van besluit doen veranderen.

--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan?
Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan
gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne
ouders tot een der eerste pligten maken.

--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd
geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik
mag nu eenmaal niet en ik kan niet.

--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn
dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te
dwingen.

--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot
niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met
Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben
verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken.
Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien
hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens
van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om
zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als
hij verkoos.

Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel.
Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje,
dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen
had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al
zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu
weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een
onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste
plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in
Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land
beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die
rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....

--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij
in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij
verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet
bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan
misschien voor den vloek van een vader!

--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou
er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last
te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede
wat mij is voorbeschikt.

--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat
sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil
evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij
wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt
komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat
de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?

De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop
hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer
zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met
een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De
overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht
der onverzettelijke was gebroken!...

Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder
op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst
met weifelende, daarna met vaste stem:

--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en
ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar
al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet
bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen
verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons
stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te
redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben
mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort
hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik
dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt,
vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige
treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim,
noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder
hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat
...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den
eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch
bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit
uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat
dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den
man dien zij lief heeft, geldt!

Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem
in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren
omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te
gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een
woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige
schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn
donkere gelaatstrekken verwrong.



ELFDE HOOFDSTUK.

Tauhid I Ilahi

Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere
bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk,
tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer
rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en
vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop
ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van
verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of
met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats
lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te
genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem
verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men
eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen
keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der
anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.

--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot
zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger
te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten
gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben
er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog
gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat
meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken
hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op
reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een
vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil,
behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals
Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar
dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te
maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet
geprezen zij!

--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.

--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,--
weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht
en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de
Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne
vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij
voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen
hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.

--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik
heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt
wat het is.

--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat
het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin
van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal
Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot
geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb
in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan
wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in
stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het
paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt
ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den
zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne
reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor
wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf
niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat
wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!

Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker
hem aan.

--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij
naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,--
daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna
hem verzwelgen!

En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en
begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig
gesprek met elkander waren gewikkeld.

--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en
kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo
voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te
zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't
is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene
andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles
zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons
tot nogtoe altijd heilig scheen.

--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de
Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is
bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet
zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of
vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd,
en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl
gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en
vervolgen.

--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van....

--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een
Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen
gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.

--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug
toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en
den krijgsman die zooeven gesproken had.

Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik!
--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu
gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den
Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik
nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te
keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?

--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde
Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra
hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen
daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra
blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen
zeker.

Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen
geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden,
en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer
vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij,
toen Gorakh met zachte stem hernam:

--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in
het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te
slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch
altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel
zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit
Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo
iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons
uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de
Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige
dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan
Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de
vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de
ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen
anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is
gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik!
en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en
behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.