A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen
ieder huns weegs.

--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide
mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij
een eind verder waren gegaan.

--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet,
dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer,
dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij
moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn
paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op
dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.

--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,--
voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar
dan na middernacht bij den Vizier terug.

En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn
medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.

Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in
die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het
gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten
een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had?
Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets
bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan
de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten
minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.

Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden
teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.

--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn
Minister.

--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht
hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel
dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.

--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens
van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch
ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen
onvermijdelijk?

--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den
regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere
verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is
aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte
zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen
waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne
oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en
gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor
geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe
gebruiken.

--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te
hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers
ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne
magt staat.

--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie
beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.

--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en
volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar
de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe
willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die
aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op
het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het
volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden
maken.

--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook
reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook
mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak,
dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen
te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn
aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij
gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen,
ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen
mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn
wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en
ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond
worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat
ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk
wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den
Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de
geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.

--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien
wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit
mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te
onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik
weet.

Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de
gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al
zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar
was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek
weer op waar het dreigde te blijven steken.

--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met
dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn
voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander
omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij
weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude
en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.

--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze
vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid
bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo
onbelangrijk niet.

--Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,--antwoordde
Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds
zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de
vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt
verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas
mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het
eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig
op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige
goocheltoeren uitloopt.

--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het
systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't
bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging
met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het
menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet
hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel
dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde
vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het
denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort
van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor
het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te
vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij,
althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt
uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch:
juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger
standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich
verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken
zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in
hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen
maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en
krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de
kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en
burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het,
kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het
eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het
algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten
levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in
waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?

--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde
gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer
oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de
zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch
niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't
bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en
zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat
meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en
de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?

--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel
onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit
voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het
hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud
der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige
oplossing van het wereldraadsel?

--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden
niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die
ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet
vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen
stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger
en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den
ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een
eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal,
waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband
wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet
ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen
van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf,
wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en
openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om
ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene
ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds
duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen
weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den
achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan
het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.

--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar
zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en
verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?

--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn
afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook
in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij
moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat
oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige
verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen,
die zich toewijden aan de wetenschap.

--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij
daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu
eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt,
zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?

--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige
eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof
noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich
openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen
heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets,
tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?...

Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer
zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.

--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi
rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch
voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden
Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat
begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns?

--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te
geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook
daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet.
Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip
toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in
zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en
waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?

--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet
zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die
dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets
meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't
nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen
in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't
algemeen?

--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat
ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik,
inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te
denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere
weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande
godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig
dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.

--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een
oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe
leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele
onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo
niet?

--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet
bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om
er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u,
Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering
verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek
mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ...
lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het
redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die
tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog
ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van
sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die
van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude
zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk
zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en
het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende
verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang
misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene
verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van
later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere
zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij
nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en
naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar
verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht
en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans!
Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot
hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van
het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles
doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit
in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte
inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk
niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de
bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in
het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de
meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens
weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den
grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is
diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens
daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet
voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit
alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der
dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht
tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij,
Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend
Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen
hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld
gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen
ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging,
nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet
het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo
algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te
onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het
geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i
Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn
Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige
vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten
ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende
den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door
onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige
eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de
Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk
gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen
mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw
gevoelen!

Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de
uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het
stilzwijgen.

--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet
onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende
mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door
u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden
meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke
juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan
onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn
toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar
dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de
menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig
weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten
slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke
vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer
diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds
eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft.
En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook
in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al
een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als
menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom
gemoed:

"Hij die adem, Hij die kracht geeft,
Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,
Wiens schaduw is de onsterflijkheid,
Wiens schaduw is de dood,--
Wie is die God, wien het offer wij brengen?"


Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya,
de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der
ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger
toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der
geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?

Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,--
wat is uw gevoelen omtrent de zaak?

Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen
aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt.
De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude
tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden
teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het
door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen
toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij
zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,--

"Wie weet het, wie verklaart het ons,
Vanwaar dit Al ontstond?
De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,
Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.


Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep
Of niet,--dat slechts weet Hij,
Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.
Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!"


De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve.
Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de
tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van
zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds
de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander
omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet
dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere
gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden
geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar
weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere,
daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en
de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan
beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die
Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt
gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?

--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel
verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die
hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer
beoogt?

--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds
het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden
sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben,
waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot
beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch
door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór
alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere
middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal
het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar
deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging
van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan
met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen,
doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet
gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke
behoeften der menschen te voldoen.

--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten
slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen.
Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger
vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het
eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten.
Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet
op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog
eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen
roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik
dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel
Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en
welgemeende tegenspraak!

En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel
Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne
tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

Aanslagen

't Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een
paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts
eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode
had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te
branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de
takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder.
De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te
vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te
zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den
hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred
verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom
scheen te heerschen.

Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo
levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed
hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél
scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor
't eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste,
en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de
vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den
schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder
verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden
naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper
intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem
geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem
moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als
dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den
geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe
anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid
scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de
hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van
gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij
aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had
schuldig gemaakt!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.