A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden
meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan
eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan.
Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet
anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare
liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen
haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's
vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij,
Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet
weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch
langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om
de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo
niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook
Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis,
misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de
waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe
verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven
liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!

Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne
mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman
naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep
mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met
elkaar in gevecht moesten zijn.

--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde
hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats
van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet
geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en
in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een
Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij
Prins Selim te hebben ontmoet.

Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden
al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds
te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was
geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner
tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu
trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe,
die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk
had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en
zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide
volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe
aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus
hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha
eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te
brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en
juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen,
klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden
zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde
oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen
te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien
uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten
van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne
helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de
vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te
rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er
een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen
uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens
verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel
Fazl zijne zorg.

Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf,
knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend
trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de
breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne
blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem
te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.

--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke
stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor
den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar
de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien
soms vermoedt....

--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk,
alleen zijn huurling. De ware moordenaar is....

Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.

--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter
zijde voor hem gewaarschuwd.

Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover.
Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken
terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna
begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten,
dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had
ter zijde gestaan.

--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem
is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging
omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook
nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik
nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft,
maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag
mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner
medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht.
En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat
gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde
de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de
hand drukte ....

Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat
zijn arm niet meer steunde dan een lijk....

Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks
denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo
aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst
vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.

In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek
van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende
warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere
regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende
aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze
telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de
zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk
rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten
strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom
zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne
bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de
bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich
Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog
verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen
daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en
verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden
glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen
werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de
ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en
bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de
meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht,
bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht
flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid
brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar
de dalen vloeide.

Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met
welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde
lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend,
met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner
woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de
zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het
aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra-
dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't
eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer
sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen.
Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra
gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de
toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.

--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot
datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te
wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde
overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en
onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft
gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een
naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten,
en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan
moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan
wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort
in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug
wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het
bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat
deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk
redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud
geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar
jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het
met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich
neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het
oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het
Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan
ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ....

En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte
op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor
een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen,
wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik
hervatten.

--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,--
dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn.
Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien
telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te
voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk
bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne
voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een
verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig
weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich
nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor
een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds
vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware
geweest dit te beleven van mijn eigen land!

Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten
laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der
beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust,
heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen.
Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een
insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving
hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof
hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde
niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na
eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat
de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf
aan een nu onoverwinnelijken slaap.

Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem
daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij
vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord
vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds
ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken
ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij
met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog
krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem
door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk
plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord
door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag
Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen
glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem
terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen
klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag
uitgestrekt.

Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld
met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij
het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht
hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat
er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te
worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger,
door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger
even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd
was.

--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in
den nek grijpend,--terug, zeg ik!

Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten
laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester,
trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand
nederleggen.

Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen,
door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den
grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog
leefde, voorzigtig op het mos.

--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik
bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst.
Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?

Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan
had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend,
fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:

--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn?

--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat
bewoog u, mij naar 't leven te staan?

--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele
oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva
en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u
lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet
hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de
straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve
uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als
offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!

Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar
wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk
ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was
doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en
ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij
verder:

--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien
gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat
Doerga mijn dood verlangde?

--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord.

--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog
meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een
Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid.
Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren
offer?

De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden,
schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen
stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:

--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd
daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn
broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag
mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.

--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan?

--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging
toen voort naar het Noorden.

--Te voet?

--Ja!

--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent
den Minister en mij bekend werden gemaakt?

--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt
de last aan anderen overgedragen.

Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter
zijde.

--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een
reis hebben te ondernemen.

Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde
terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.

--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele
oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de
vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft!

--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu,
dat gij een werktuig waart en niets anders.

--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak
der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat
de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als
offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is...
--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door
nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend,
met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!--
Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag
bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling
was niet meer....

Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam
staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met
wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een
spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.

--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden
kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms
misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch
was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als
martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige
zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die
eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen
tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat
van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg
opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is
toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging
daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen
blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk
en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?...

De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada
afbreken.

--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is
dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders
zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te
paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent
hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den
broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra
mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen
en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in
aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh
zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is!
De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij
om den nek van anderen doet slaan.

--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij
hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw
schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe
dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van
hier, nu ik misschien voor u waken kon?

--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u
over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in
vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig
slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier
alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang
Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't
vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden
zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk
nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen.
Staat uw paard gereed?

--Ja, Heer!

--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons
werk!...



DERTIENDE HOOFDSTUK.

Afscheid

De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op
den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps
ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke
nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste
stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als
overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde
zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de
nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te
bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten
te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den
moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd
gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had
gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en
hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man
van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last
der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij
zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer
vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de
kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen
belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met
het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn
aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.

--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg
Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid.

--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept
mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe
Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en
de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog
gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk
verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw
vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn,
naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een
man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al
ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk
een troost niet genoeg.

--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan
meer nog verlangd?

--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was
reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.

--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en
waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer,
om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen
te sterven.

De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de
Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat
nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou
zijn.

--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige
oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.

--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,--
antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel
genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als
mislukt te beschouwen.

--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd,
bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest
volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren
wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar
nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de
geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf
zou hebben blootgesteld?

--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar
zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor
niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is,
wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat
schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra
kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde
schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de
hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt
doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij
hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de
Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste
zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen!
Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen,
blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze
zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft
er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar,
waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en
onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien
gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten,
die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet
zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.