Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 | 17 |
18 |
19 |
20 |
21
--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische
vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit
eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen
opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden,
waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om
te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld
gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste
andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der
algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen,
hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles
volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij
al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt
gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de
wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe
eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen
over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en
duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van
u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden?
Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en
is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!--
vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een
doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij,
Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens
christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan
uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers
werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij
uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?
Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag
had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het
kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou
gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals
hij ze nu voorstelde.
--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu
immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer
van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?
--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord
bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't
gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk
met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij
zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u
onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter
handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij
natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u
eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende
met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar
openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen
weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige
gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne
burgers zou na zich slepen.
--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te
bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene
wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet
tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal
in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig
gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem,
en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te
weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel
zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met
Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!
--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig
van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor
de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen
tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of
schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of
vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne
landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten
als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne
pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik
dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen
bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche
kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit
mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen
een voet meer op zijn grond.
Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en
beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef
hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet
tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst,
en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter
krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te
verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling,
dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van
zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten
brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste
beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien
nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig
uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn,
voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde
Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs
gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!
Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den
teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af.
--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone
vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een
oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en,
met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag
te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch
u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde
van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was;
en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe
wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij
omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen
niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt
ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat
het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer
godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen
maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting
van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!
Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt
van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt,
voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar,
de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook
slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets
vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van
vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens
oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en
wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der
alleenzaligmakende Kerk.
--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil
van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u
ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk
ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt
voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de
geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten
en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor
't geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al
geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven
vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!...
Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den
Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde
hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het
vertrek.
In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar
enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij
plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met
een half onderdrukten vloek beantwoordde.
--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder
spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer
begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar
toegelaten.
--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken;
en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij
dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige
omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel
wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.
--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens
onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't
minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem
ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van
hier te gaan.
--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt
u ons zoo plotseling te verlaten?
--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien,
wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot
in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan
het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en
waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog
langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u
gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien
reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het
ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze
en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt,
acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den
duur daaraan het hoofd te bieden.
Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime
kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten
te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en
bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij
toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst
gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij
voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere
voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil
ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en
sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de
uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet
hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei
goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij
ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken,
met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden,
Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag
verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet
niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf
ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din
Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie
des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal
bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo
smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog
niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en
overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien
verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi
den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die
ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd;
en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven
allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld,
zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot
waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik
betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste
gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u
verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor
u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan
en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen
bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat
hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de
meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en
zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw,
als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis
die hem wachtte!...
--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps
opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard
had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals
gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en
gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een
smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen!
Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat
weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van
iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus
uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik
heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij
waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord
met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in
mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt
misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden.
Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste
overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel!
ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn
verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn
regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die
laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet
meer in staat is zich te verdedigen!
--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken
in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te
wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad.
Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter
voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij
waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn
pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!
--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik
begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar
waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!
Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed
met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het
vertrek....
--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den
voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de
hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,--
laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang
gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik
weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en
belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het.
En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele
opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze
tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk
man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u
niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet
anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange
jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd,
en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die
onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?...
Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het
gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had
verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand
begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk
gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt
wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den
altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding
zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze
met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand
een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen
dan zou Akbar nooit wederzien....
Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had
achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele
schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht,
dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken
tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette
hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte
zich het gelaat met de handen.
Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was
hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in
arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En
dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte
aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een
tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand
kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo
lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de
krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter
wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook
gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der
godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de
overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars
was geweest.
--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een
gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest,
dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het
verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een
heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel
vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben
en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een
noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en
overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne
overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid,
die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen
beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot
misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt?
Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal
ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol
van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen
gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen
godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den
mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't
allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd;
een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden
vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan
beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er
ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt
voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband?
Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en
mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben?
Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog
het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!...
Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar
opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend,
ook onaangediend bij hem te verschijnen.
--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele
en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees
een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het
is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder
diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder
betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden
vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat
de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren,
die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te
zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer
onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt
voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet
onfeilbaar is.
--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte
dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is
mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate
omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij
zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken
broeder komt daarin slechts voor een deel.
En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid
van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de
overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.
--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had
nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn
idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat
mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik
hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen,
als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch
gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich
uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen
voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen
volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik
nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar
mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring
zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield
ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel
op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en
het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie
ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere
hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds
aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te
hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij
reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog
brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige
duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat
daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren
zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden?
Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen
misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich
ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk
inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen?
En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook
niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog
onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven
opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn
om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het
tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen,
volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig
wezen ooit kan zijn weggelegd?
--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te
hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die
late, late toekomst brengt mij weinig troost.
--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het
oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof,
of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles
geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne
maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn
opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel,
wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen
liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte,
juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze
zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van
den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen
ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets
anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij
tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't
ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en
meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de
onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets
anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield
hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de
vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval
voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door
volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het
volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien,
alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen
eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een
Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou
hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben
gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug,
mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu
eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de
verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met
ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 | 17 |
18 |
19 |
20 |
21