Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 | 18 |
19 |
20 |
21
Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet,
toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de
Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De
ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn
woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een
spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de
voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan
onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde
stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook
gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te
voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen
dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het
onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond
ware bedorven geworden ....
--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend
in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend
als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te
werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is,
onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog
overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij
ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar
tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld!
Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis
genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel;
daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel
te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin
wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar
zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst,
zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken
zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en
bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of
verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan,
Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder
op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht
gesproken hebt!...
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De ontdekking
Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger
uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich
reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar
evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk
vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo
hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan
Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond
naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet
geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den
laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins
raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij
haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo
mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering
gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen
avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.
Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne
verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de
sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was
gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het
gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur
voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden
voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe
reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man
naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar
in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten
verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana
herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste
gejaagdheid uitriep:
--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij
voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al
onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik
heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd
in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds
bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook
in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er
in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen,
van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen,
zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar
zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De
onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij
eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt
naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om,
en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij
ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen
zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te
verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt
uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles
weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet
op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste
maatregelen te beproeven.
--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.
--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen,
en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te
bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....
Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden,
en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts
doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.
--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en
we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal
zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't
niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik
naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de
teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding
kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt
gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen
vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij
tegenwoordig met hem?
--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de
reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik
maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij
wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne
Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer
is, niet vóór dien tijd.
--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van
mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk
geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.
--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen;
en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft
onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van
pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem
dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben
gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij
wel eens in den weg kon zijn....
--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde
van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan
hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek
zijn?
--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur
is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij
't inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't
minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is
vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan
langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den
tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.
--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij
zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij
met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij
spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.
Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen
langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij
verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het
beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het
nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te
verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden;
en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan
te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn,
behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen
en stond hij vóór haar.
--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk
verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige
voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn
bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u
tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik
zal ze verhinderen.
--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene
uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in
die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou
hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar
op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij
ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!
En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op
hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half
werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling
als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene
gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan
verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren
vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders
door niets belemmerden stoot....
Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van
ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem
vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel
in de hand.
--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha
wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder
en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere
lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den
beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate
zij digter hem zocht te naderen.
--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!--
Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert
haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng
bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering
ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in
verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken,
waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van
haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar
schuldig hoofd!
Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu
niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne
voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf
te verligten.
--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier
naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien
nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de
bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of
eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal
staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die
verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij
uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij,
dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!
Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij
toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een
gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór
zich uitgestrekt.
--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig
droegen zij de bewustelooze weg....
--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij
zijn sabel uit de scheede toog....
--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed
openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik
wensch den dood als eene genade van uwe hand!
--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam
liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik
zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw
verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er
misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de
voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot
een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik
verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd
van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen
gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman
noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die
herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al
overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang;
en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen
blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf
eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt.
Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!
Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende
handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel
gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele
schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij
deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en
vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten
poort.
Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan
de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige
sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er
eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu
eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden
krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid.
Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een
drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts
onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne
opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen
mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als
werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag
hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks
eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde
oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de
herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had
Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar
te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk
ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook?
Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou
eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg,
nog vóór zijn.
Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans
ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem
teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan
een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en
gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi,
dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia
evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het
belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.
--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot
Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van
verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een
uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't
noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik
u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als
vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem
bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij
zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong
hij in den zadel en reed spoorslags voort.
Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend
paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen
betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra
weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp
gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen
alléén in zijne tent ontving.
--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.--
Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een
vergrijp, dat u duur te staan kan komen.
--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij
gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken.
Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste
misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van
verraad!
--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet
een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op
te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw
ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!
In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde
Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend
had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten
verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder
gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er
in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór
hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:
--Uw misdrijf eischt den dood!
--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte
straf van Uwe Majesteit verzoeken.
--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het
verraad ontdekt zou worden?
--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven
rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en
voor ieder die mij herkennen mogt.
--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit
zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij
hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw
verhaal.
--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet
zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik
verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog,
in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling
verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde
ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke
straf ik had verdiend....
En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de
beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan
en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.
Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak
gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en
weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het
verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch
sprak ten laatste:
--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste
mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had
uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst
bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds
een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op
zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem
die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u
is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe
verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben,
en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt
zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens
mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij
waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het
zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet
gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let
wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw
schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die
onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij
onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij
door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de
herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan
misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste
overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige
trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de
waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den
tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en--
uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb
bedrogen!
Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk;
maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom
van zijn gewaad.
--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt
had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde
meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een
deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo
't mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik
vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn
aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de
rooverbenden wordt gevoerd.
--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar
vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de
getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen.
Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester
zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste
geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven,
er niets van bemerkt.
Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en
aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was
Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer
op weg.
Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede
veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen.
In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en,
schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was
toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld
op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten
jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem
een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop
medegevoerd naar het kamp.
In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den
sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.
--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan
is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u
gereed te sterven. De beul wacht u!
Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen
voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond
aanrakend.
--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar...
laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik
weet.
--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik
wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog
niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt
al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner
te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat,
ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u.
Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te
vinden?
--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde
dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen.
En dan?...
--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen
valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.
Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men
den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.
--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de
Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten,
zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen
aan den eersten boom den beste.
Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen
van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester
weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.
--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met
zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik
u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid;
die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij
verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?
--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot
de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het
vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 | 18 |
19 |
20 |
21