A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.

--De strop!--was het antwoord.

--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!

Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste
poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden
voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en
de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de
legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig
nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met
zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij
in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt
óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later
hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer
was.

--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw
goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat
blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!

Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en
als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad
in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en
men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van
den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.

Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen
dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming
tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar
gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd,
die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep
voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen
zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het
was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en
met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig,
een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg
een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar
het kamp terug.

Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den
Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar
tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te
blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien,
wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene
of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang
Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds
verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan
zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....

Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak
niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of
ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op
geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen
gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een
opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime
mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om
hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...

"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven
briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat
zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden
hebt."

Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij
't blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die
weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis
onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga-
priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er
honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd
laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer
was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra,
en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die
anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier
in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en
deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig
gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch
goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door
sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij
hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht
hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar
men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid.
Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht
hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te
zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden.
Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind
zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En
dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij
had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en
hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het
minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar
bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij
plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te
voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich
verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef
zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en
telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen
dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand
naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden.
Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan
zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn
marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den
dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook,
dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in
Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd
langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den
Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten
voorttrekken....

De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf
niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens
in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de
tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Beterschap

In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van
den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van
Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den
terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus
misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden
Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval
de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest,
den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap
van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was
onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan
Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel
gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de
zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den
Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend,
hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van
eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden.
Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te
geven aan het plan.

Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk
paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer.
Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en
krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en
ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken
sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke,
anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven.
De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden
bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte
strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend,
een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins
nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing
en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de
welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In
schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de
zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort
meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven.
En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen
berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch
scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren
geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen
hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er
geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te
laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen
Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij
overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer,
toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten
onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar
hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.

Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen
bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was
teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim
was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en
dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne
schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens
gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.

Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats
voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten,
dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt,
terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed
hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de
schuldige, daar binnentrad.

--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten
laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep
beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op
tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt
hebben!

Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege
oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een
bittere en hartstogtelijke klagt:

--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven
moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en
verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb
lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te
voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet
ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord,
hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd
verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen
eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart,
die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks
heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog
gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten
stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn
verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan
onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te
behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw
voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet
meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat
ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd
heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel
ondervonden hebt?

Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een
oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst,
die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke
schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet
slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem
rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het
despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij
bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de
plaats leert stellen van regt en van pligt.

--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet
gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in
staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een
tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij
opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de
beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen,
gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog
maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar
wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg
gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid
en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer
toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als
die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk
moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al
gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees.
Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied
verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat
ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe
gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op
raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad
zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste
verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar
genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en
de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig
in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren,
dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen
Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig
blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen
heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij
diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft.
Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en
door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn
eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien
genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!

En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet
blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns
vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom,
Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou
in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen
zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk
bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't
eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche
raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans
als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En
door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen
verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer.

--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend
zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt
bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt
goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen
betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die
welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden
zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd
zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering.
Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor
goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere
broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil,
dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te
verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles
afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit
oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede
te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen
lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene
eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt
gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik
u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen
als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de
keus.

--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het
volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even
grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien
ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging
vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene
onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp
terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren
en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed
ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met
gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn
tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl
gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut
van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die
geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet
geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan
verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer
roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de
magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al
is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid
vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!

--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte
zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik
gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van
schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle
grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot
dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke
en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog
wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze
landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering
invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het
bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning
zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede
ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken,
de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!

Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen,
en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij
heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen
vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar
gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen
hen beiden worden verstoord.

Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van
althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen
en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor
ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze
vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars
vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de
verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang
haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had
gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij
daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren
gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren
liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting
toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve
vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam
ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar
gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren
Siddha vernomen had, reeds gestemd.

Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was,
kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn
ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden
hem vergezeld.

--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik
belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over
te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat
u wel bekend zal zijn....

En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen
sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij
voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.

--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij
opsprong;--hij is niet meer!...

--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik
hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen,
hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn
voormaligen leerling weer zal zien.

--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie!
ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij
alles mededeelt.

En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's
laatste ontmoetingen wist.

Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd,
met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden
op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij
een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren
telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven,
en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de
dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter
met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl
hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en
hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te
omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone
onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen
voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van
den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten
laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl
de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen
uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en
hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan
een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk
van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook
hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt
aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong
Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst
meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn
blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw
aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan
wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast
zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de
nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg
hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.

--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat
oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar
gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg
verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die
zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou
worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te
behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij
aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten
laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht
om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel
dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!--
Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd.
Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter
wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet
aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem
den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden,
breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar
nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat
ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven
ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit
uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak
niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek
te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de
Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.

--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden
hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog
niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te
doen staat.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.