A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun
mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige
oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb
met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten
blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig
belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen,
ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de
vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon.

Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en
nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn
wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken
verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te
begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne
vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte,
wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke
legersteden.

De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een
frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun
togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam
Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak,
ditmaal buiten gehoor van Koelloeka:

--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren
die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan
verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets
dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't
oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw
verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die
gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar
één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom
niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig
wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan
geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst
leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke
onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u
voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag
zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet
enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt
gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les
te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt
gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien
gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt
openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van
uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt
gij mij dat belooven?

--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken
ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar
vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en
drukte ze hartelijk.

Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na
afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne
dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer
dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende
gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog
geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel
zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in
gedachten verzonken naast zijn medgezel voort.

Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn
paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde.

--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada!

Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren,
bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder
vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos
evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen
aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat
teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn
leerling voor zijn ouden vriend.

--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem
denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u
ooit in hem bedrogen te zullen zien.

--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik
stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada?

--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een
kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte.

--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar
ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde?

--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar
't gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet
gevraagd, wie hij was?

--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben
goedgekeurd?

--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid
niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam
ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook
verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft
mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en
zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een
Koning--

--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een
sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde
toen ik een kleine jongen was?

--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor
niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door
goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid.
Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman
van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn
opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de
last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders
drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks
vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn
tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande
regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna
in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan
tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen
ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad
van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de
woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den
Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds
gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg
te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te
doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts
vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in
't leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan
algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van
zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen
azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de
Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken
maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn
paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen
was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn
broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den
troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden
van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke
wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land.

Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn
medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen
teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling.

--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van
onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen
broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo
goed als elk ander bewoner van Kaçmir.

--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover
ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat
niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de
Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of
verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of
iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar
een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen
rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een
smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken,
althans waarschijnlijken ondergang.

--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is....

--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de
kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn
geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe
riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader,
zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het
ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is.

--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede,
--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had
dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen
zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch
't is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het
niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid!
Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij
doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke
omstandigheden goeden raad van noode had.

--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,--
houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer.

Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten
verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van
diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste
begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd,
een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in
weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had
opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans,
in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en
zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis,
met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een
verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den
magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den
gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die
zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen
wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over
onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van
magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van
alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders
gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't
aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de
gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden
was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep
Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot
hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben.
Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis,
het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone
Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber
gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen
gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid
had bereikt:

--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts
ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige
speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't
eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati!

--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich
zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot
het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem
vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad
als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en
glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde
hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval
van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd
onschadelijke kuilen!



TWEEDE HOOFDSTUK.

Iravati

Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van
Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong
bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar
het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der
beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde
van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige
hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de
liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van
mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend
gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich
verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de
verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het
tegenoverliggende land.

Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet
terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen
geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden
rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden,
een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele
roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe
ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale,
fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden
wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben
gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had
verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen
dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel
eenvoud tevens had weten te paren als deze.

Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden
ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar
omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze
verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar
hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij
toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders
dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten
dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?...

Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek,
waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die
het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort,
gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend,
maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort
zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig
herkenbaar teeken zijner waardigheid.

--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige
meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur,
uw vader, brengt u heden bezoek!

--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af
steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar
vader te gemoet.

--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende
zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op
zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór
eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir,
uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester
wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in
de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen.

Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar
ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen
gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om
ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield
haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug.

--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de
belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer
verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste
afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die
inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf,
gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik
voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen
te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw
neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen
ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn
invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen
goeden naam. Thans, kom!

En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op
de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun
verschijnen stonden af te wachten.

--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op
hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging
hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet,
zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad.

De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden
uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets
zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt
hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn
deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den
eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte
op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke
wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet.

--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan,
(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),--
welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien
naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw
eindelijke komst!

--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast
verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was
mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over
bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u
te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's
Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard!

--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,--
en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen
waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans
ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader
verneem, slechts kort zal mogen duren.

--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met
Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden
moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik
vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha!
het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten,
daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En
liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons
middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt
gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene
wijl mij willen volgen?

Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en
hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati,
door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn
beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde
van het paleis op het hellend terras was aangelegd.

Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een
rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem.

--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de
bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij
moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo
gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en,
zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich
toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te
helpen bevorderen.

--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en
ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn
vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo
gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de
gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te
klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan
in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in
persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner
hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft
verhaald.

--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite
waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen!
Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan
kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling
vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens
kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk
zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen
verwachting te beginnen.

--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in
waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn
leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een
magtig vorst?

--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen
kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te
worden voor de belangen van anderen.

--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook
iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl
hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden
toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als
Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de
lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds
zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan
bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch
onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den
laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een
geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen
Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en
haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder
Nandigoepta.

--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog
niet ter ooren gekomen.

--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel
vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek
er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en
ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die
oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen
dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door
wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in
partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons
den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en
spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt
dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in
zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik
gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde
eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van
onze onafhankelijkheid.

--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,--
hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk
zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook,
toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben?

--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is
het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen,
maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige
zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en
handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf,
onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher
in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan
mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de
hoogte kunnen houden dan eenig ander.

--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als
aarzelend,--is dat eerlijk?

--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn
gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat
een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat
eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan
aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte
begrippen van eer!

--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog
te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo
terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn
goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen,
nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en....

--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is
een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting
heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man
van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk,
waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij
overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet
in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook
uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de
gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere
mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander
afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf
dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en
tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En
zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere
openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot
Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn
plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij
zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was,
laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de
uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet
erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat
rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige
gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad
wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland
misschien nog mee redden van het naderend verderf?

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.