Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 | 20 |
21
--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen?
--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard.
--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke
weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde
bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij
anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een
reis! Waar denkt gij aan?
--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille
van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem
doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak
niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel
gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe
tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van
mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen,
dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn
besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug
zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een
dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet.
Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe
gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende
vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds
mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij
de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog
gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis
om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als
gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van
beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen,
zal ik wel weten te volgen!
--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te
beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat
stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren.
Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het
bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij
gereed om dien met u te ondernemen.
Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met
haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij
haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet
weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad,
ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar
onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar
van de onderneming terug te houden.
--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares.
--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te
beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf
u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim
altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven
ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden.
--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om
behoorlijk geleide te verzoeken?
--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg
juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur
ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de
reis met goed geluk te volbrengen.
Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's
paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan.
Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die
werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er
ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te
mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere
gedachten haar bezig hield.
Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij
eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later
stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't
minst van allen zou hebben gedacht--Selim.
--Gij hier?--riep zij uit.
--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar
Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed
oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te
dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe
dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken
geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te
beletten. Ik heb haar dat beloofd.
--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet
met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet
wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor
mij te waken.
--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu!
waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar
dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw
werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij
hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl
gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne
magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!
--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het
niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel
verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt
gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door
verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten,
ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk
eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste
minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker
niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als
een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel
toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen
als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij
waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik
vraag u geen gunst!
Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd
er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door
eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos
gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten
medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt.
Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen
verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij
op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem
levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en
verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching,
zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst!
Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne
ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te
vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati
met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?...
--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als
vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen;
maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom
heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij
gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles
anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke.
Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag
toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel
besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet
onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik
begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het
woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst
zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens
hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen
worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en
dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn
eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha
Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk
woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag
ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij,
al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en
denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig
misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te
hartstogtelijk beminde!...
Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!--
sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en
zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal
ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?...
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Feizi's vloek
In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne
legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde
was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar
gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde,
zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn
behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem
toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou
ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?
Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er
ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde
Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij
den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten
Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling
te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook
den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de
geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met
belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van
den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van
het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel
der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal
voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de
hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.
Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij
zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben
tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch
een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige
bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte
dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor
't oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg.
Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits
toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur
soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het
woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in
ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden
verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond
bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun
vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen
die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst,
van kaste of van nationaliteit.
Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha
gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg,
toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich
heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want
zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik
weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden
zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld
van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te
gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer
aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in
staat.
Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik,
ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen,
even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich
overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven
voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en
alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer
doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn
ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld
en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat
gevoelde.
Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster
rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken
woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist
zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte.
Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek
zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde
hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde
oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht,
dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke
bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij
Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle
kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien
nog gelukkiger geweest?...
--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij
ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat
ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen
met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen
kon!...
Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij
niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde
spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder
aan zijne voeten.
--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met
de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman
noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij
de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En
dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die
ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver
van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi,
innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer
dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis
sprak!...
En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken
met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk
vond zij tot spreken weer de kracht.
--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij
overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is
u niet goed. Zoo kom dan!
--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar
neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht
is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke
herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den
waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren
begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs
voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen
moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een
eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te
verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien
gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.
--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat
er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch
genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.
--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u
niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen
of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!
--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet
gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij
niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij
hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk
moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen
heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van
eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.
--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van
uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en
met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de
noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt
mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen
kunt gij mij niet meer.
--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati.
--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het
kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te
hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan
bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar
steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de
zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene
echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering
niet meer waardig.
--Gij verstoot mij dus?
--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u
te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u
gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen
beweging mij verlaten hadt.
--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend,
terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil
niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik
wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u
smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne
hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij
niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben!
Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u
de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten
tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans
onmogelijk!
--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met
hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging
er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij
gaan!
En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog
met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de
eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.
--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd
gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem
dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof
ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij
ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het
vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene
verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu
verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u
misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe
eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen
verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij!
Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag
geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man
dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens
een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne
bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt
liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw
zelfzuchtige hoovaardij!...
Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij
dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch
bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo
aanstonds nog voornemens was.
--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd
slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer
strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou
een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog
weten te rigten tusschen ons?
--Gij bedoelt Koelloeka?
--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik
hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn
geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u
eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer
in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de
eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen,
en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati!
naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier
vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra
weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven
voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor
u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden
ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij,
gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!...
En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had
gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds
naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken
tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In
allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast
mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling
besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen
inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in
dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen
krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen
in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te
troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te
lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf,
na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij
tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met
Vatsa reeds spoedig op weg....
Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den
Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn
dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada
lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem
spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast
ging melden.
Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met
bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering
opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en
vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere
uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet
veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de
jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en
met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en
wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat
leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar
oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.
--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij
liever zeggen, mijn genadige Vorst!...
--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada
noemen! Ik ben niets anders meer.
--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik
dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de
woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe
gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.
--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te
zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad
van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander
niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans
hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet,
dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.
--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld,
zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet
duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.
--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;--
wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.
Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op
dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden
wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal
van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het
klooster verlaten had.
Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan,
en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en
bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het
woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide
hij:
--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd.
Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat
gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te
verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe
betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had
wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de
vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke
ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling;
maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te
blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins
zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets
harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was,
toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u.
Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn
dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe
omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der
menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en
dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger
zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo
verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de
boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den
werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen
in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te
doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook
zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet
benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan
anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer
goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt
kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen
gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam
te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in
zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die
afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan
Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen
wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u
te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf,
maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of
deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet
enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou
zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk
geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande
trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt
wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij
waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe
zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij
zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid
niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij
zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van
uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een
ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u
bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht
gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't
alles niet weder laakbare zwakheid?
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 | 20 |
21