Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 | 21
--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de
kluizenaar op een antwoord bleef wachten.
--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik
wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten
wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij
deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden
misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer
ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig
oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man
behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven
vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige
daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner
medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij
tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht
door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te
doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u
volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige
uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd
bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar
dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de
laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg.
Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor
soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij
zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en
driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover
anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die
wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg
niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer
gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en
de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de
verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van
uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u
harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid
waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen
oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde
trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is
ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar
Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar
gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te
Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en
meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord
mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij
Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik
zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles
hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't
geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!
En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en
liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.
Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen,
en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de
beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te
paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer
de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:--
Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij
tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en
ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat
ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt
mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer
toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de
ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt
verspild!...
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Bij het praalgraf
In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft
zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en
door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend
van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de
vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette
ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer
ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke
boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van
aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw
zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner
lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de
muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom
door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen
omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen
en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die
grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden,
maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen
doode, van Akbar.
Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar
in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man
in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van
zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone,
bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den
sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha
Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen
beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van
wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den
hoogsten eerbied gesproken hadden.
Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders
geworden.
Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van
zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat
hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde
nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar
niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand
dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht
kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne
opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden,
onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het
bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen
vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te
spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim
overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als
Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een
dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het
nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij
geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij
geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal
bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens
Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig
ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn
huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een
veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem
verkreeg.
Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te
voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering
kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het
ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De
zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden
verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning
benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te
volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl
Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef
staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode
had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het
nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame
beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.
De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen
onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een
bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te
bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op
eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij
gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had
geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de
zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en
begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te
lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en
het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na
enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend.
De dienaar begroef hem nevens dezen.
Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met
Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker
berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des
schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield
hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en
diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door
velen diepbetreurden oom.
Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe
langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het
ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en
ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin
hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel
Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.
De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er
later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag
evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de
bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche
dweepers behooren.
Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika
huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter
bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van
meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.
Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer.
Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in
Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich
daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed
voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar
bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde,
wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef,
had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms
nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem
den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun
huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast
niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst
volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen
had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar
wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in
levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare
handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in
gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.
Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten
verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken
werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware
steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts,
toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel
terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier
gekomen was....
--Feizi!...--klonk het uit zijn mond....
Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de
beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En
ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd
die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich
te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha
een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:
--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die
altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te
haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal
reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn
hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar
ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde
plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik
eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne
plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!
Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn
edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man,
die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.
--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw
vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn
tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van
uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te
harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u
hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans
hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat
gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet
geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt
heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor
niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan
haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden,
vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele
echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn
tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel
vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig
gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!
Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne
ontroering scheen bekomen.
--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe
grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die
nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt
is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft
gebukt gegaan!
--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl
hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te
drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet
te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt
achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot
een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben
dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de
hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te
zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste
wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig
teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog
geworden kon.
--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige
zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting
waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij
heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met
een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo
min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel
't mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder
behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te
Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd
om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke
werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor
geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar
behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier
gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn
vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats.
Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en
huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven
bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had.
Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al
waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó
lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne
buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog
altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.
--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren
kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet
anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te
herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden
had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en
dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de
vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik
in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige
wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan,
toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te
midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van
karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die
de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad,
zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!
--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak
Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote"
pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden
toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien
groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht
dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe
te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens
gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten
geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de
wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren
er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten
deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in
de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne
grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de
schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot
Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,--
vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal
zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven
ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen
heeft! ...
Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de
breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park
vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij
een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de
nagedachtenis van den grooten Keizer.
--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts
keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien
wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch
sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de
dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de
herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte
bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen
na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?...
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 | 21