Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21
Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke
redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een
antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen
had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te
beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de
laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde,
wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne
gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene.
't Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren
behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd,
regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord
der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng
sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de
grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne
kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen
schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding.
Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't
overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke
gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze
ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de
bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één
geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar
nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij
den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een
eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij
niet terstond de giftige beet.
--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga-
tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient
het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt.
Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die
inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl
hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op
langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke
wijze rekkend:--
--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga,
zijne glorierijke gemalin! Om!
--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die
zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit
Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb.
--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij
eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen
doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn,
waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg
des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik
niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg
bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd,
dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal
tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich
onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet.
--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't
van mijn kant mij niet herinner....
--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat
oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog.
Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders,
dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken,
en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den
priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging:
--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar
zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader!
De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan,
vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal!
En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de
Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!--
toeroepend, hem alleen liet in den hof.
De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's
verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem
in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen
reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het
gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen
de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die,
meende hij, alligt het raadsel kon oplossen.
--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's
dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken?
--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester
gezien.
--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan!
Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij
half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet
er Koelloeka eens over spreken!
Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer
zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld,
het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het
digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver,
besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende
fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield
zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare
opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp
den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte
van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte
Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar
zich neder in het mos.
--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond
zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden
gewisseld hadden!
--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons
toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet
allen vergund, die in ons geval verkeeren.
--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar
zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te
langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet
geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?
--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men
weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is
dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander
vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de
weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben
alras zult vergeten....
--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u
verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele
maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl
hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie
gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn
hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand."
--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden!
Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij
gemaakt?
--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en
inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik
vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst,
waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat
ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.--
En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te
voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur
portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen.
--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo
schoon niet!
--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal
schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan!
En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had
hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig
overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met
de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was.
--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin
eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die
haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt?
--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug.
Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den
weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen
bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet
terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem
weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen
overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde
bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een
weinig geïdealiseerd portret.
--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon
terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de
frissche rozeroode lippen gedrukt.
--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,--
nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan
zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale
vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret.
--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun
eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander
afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch
beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van
verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos.
--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de
schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige
boeken zelf zoudt gaan kritiseren!
--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of
daar mis hebben of smakeloos zijn, of....
--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?
--Twijfelaar? Aan wat?
--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan....
--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de
rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog
gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar
haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei
theologische en philosophische vragen.
--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een
spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op!
En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij
een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat
daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje
omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad
drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen
watervlak.
--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat
ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!
--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek
spel! Dat moet gij niet spelen!
Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze
belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk
op de kabbelende golfjes danste.
--Trouw! trouw!--juichte zij....
Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water;
het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra
niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween.
--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken,
--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen?
--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel
opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te
vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan
meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen
als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van
een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de
uwe aan hem?
--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik
mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk
hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen
op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die
stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen
wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,--
vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet
immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er
geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven!
Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar
die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos
gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst.
Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit
Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati:
--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne
dienares, ons waarschuwen.
Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden,
om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan
het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare
meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken
terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan
den maaltijd te komen deelnemen.
Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en
begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand
volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken
te gaan opzoeken.
Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in
een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een
heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar
omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats
namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen
en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei
kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang
van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst
gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte
vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was
denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken,
even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de
drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest.
--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat
eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of
Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even
aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn
nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er
ook iets dergelijks omging in zijne gedachten.
Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in
alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde.
Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen
verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het
balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika,
hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar
Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog
eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten
verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even
vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest.
Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen
de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de
hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de
reizigers zich naar hunne vertrekken.
Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon
zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed
gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn
rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben
afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat,
aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook
daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in
nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder
heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere
heiligdommen gedekte bergen verhieven.
Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem
bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de
zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer
op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter
het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon
hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en
wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er
vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen
gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen
verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen?
Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de
lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke
maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp
zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals
daarop terug te brengen.
Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege
twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch
juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en
spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de
gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur,
en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in
dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was
misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem
meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een
gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer
levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer
naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in
vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning
van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs
den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en
bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals
gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met
hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst
was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare
trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester
had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de
regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich
aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur
naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een
lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste
gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen
toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag.
Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die
zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig
voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst
zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen
berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan
waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal
gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande,
dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo
lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het
vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig
fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke
bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding
zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen
dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich,
haastig ontkleed, op zijne legerstede.
Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden
nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met
diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast
besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij
niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn
oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor
een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat
zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van
nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste
betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of
ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek
of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf
zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.
DERDE HOOFDSTUK.
Agra
Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte
morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het
groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt,
sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen
en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die
uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze
reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de
krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de
jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en
vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig
tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken
daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.
Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging
stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden
tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar
had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen.
Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene
hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met
een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij
digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene
vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.
't Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van
Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en
die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot
sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij
't voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een
oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend
ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne
reisgenooten terug.
Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten
en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog
mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien,
vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te
begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der
afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken
onze reizigers verder.
Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door
zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms
ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de
nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig
afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu
den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was
bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de
aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke
verveling van den togt zich wél vergoed.
Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag
tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van
paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of
Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld
maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het
paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden
omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven
verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste
zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen
gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner
afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en
vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend
beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden
invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de
paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke
stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en
daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een
vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél
was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook
voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden,
ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel
pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor
veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend
hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat
alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als
eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den
barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest!
En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich
voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen
en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem
te moeten wisselen.
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21