A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam
mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.
Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier
steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk
meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig
genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst
als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?

--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!
Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een
Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de
menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek
genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun
hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.

--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe
optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed
hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten
worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren
vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?

--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--
hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te
beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en
staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het
leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er
immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon
hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn
broeder zelf en mij niet.

--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi
vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit
bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te
eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer
prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.

--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--
en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle
omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen
hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te
noemen.

--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar
zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook
al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als
mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten
aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij
ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.
Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij
ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor
hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt
dan de schitterendste feesten.

--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan
zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de
door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is
't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de
vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en
ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden
zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.
Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor
uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?

--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een
dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik
mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk
tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te
volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak
daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch
wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms
eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust
bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.

En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des
Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....

Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts
keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de
intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan
steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het
gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en
invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van
den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer
zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?



VIERDE HOOFDSTUK.

Akbar

Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de
groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens
de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's
ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste
de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven
hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de
krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen
overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,
terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't
overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn
rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken
overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al
zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet
minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij
thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en
uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne
aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van
levenslust en moed.

Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters
eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne
rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen
bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij
tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de
goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant
zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke
bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd
de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was
afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.

Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te
wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne
schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek
aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den
hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,
blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem
toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:

--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit
Kaçmir moet zijn aangekomen?

--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.

--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die
mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor
eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen
hebben haar dat te gunnen?

--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?

--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't
oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker
inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En
wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes
uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig
als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met
zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het
zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.

Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij
dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de
waarschuwing van Aboel Fazl.

--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet
een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke
vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop
ik, niet bevreesd....

--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn
gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,
zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling
schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij
tegen den bepaalden tijd bij de moskee!

--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een
beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.

Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te
volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;
doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de
dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,
en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde
hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en
bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.

Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer
vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met
glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer
nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan
tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,
in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat
daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt
vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het
ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik
toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene
aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide
boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene
aangename rustplaats boden.

Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn
voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,
naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange
maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en
zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat
hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige
wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot
dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat
bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der
meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar
noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn
kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet
bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig
siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette
sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en
schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat
sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat
was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha
ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem
nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg
uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.
Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling
of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit
oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets
gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor
iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een
der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een
zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op
eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere
inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.

Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,
antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak
verklarend, voortging:

--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe
medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen
hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook
niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die
betrekking? Zet u inmiddels!

--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,
al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet
opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte
scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn
begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en
tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij
geplaatst hebben.

--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,
komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te
hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?

--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die
ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er
voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel
als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,
zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel
van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden
heb.

--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is
alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn
rekbare woorden.

--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in
den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en
pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met
de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet
willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat
geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou
kunnen verzekeren.

--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat
reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer
inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk
nadeel kon strekken?

Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,
terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den
Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich
en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat
ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:

--Is Akbar niet eerzuchtig?

--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die
Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op
zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,
maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens
iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg
gewaagd.

--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u
niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,
is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw
gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong
en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u
spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen
benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.

Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat
verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog
bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal
te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins
ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat
ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene
in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....

--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter
dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk
uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken
hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet
kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu
dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt.
Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou
verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een
onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij
dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer
rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu
al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het
verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het
betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige
erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal
ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en
tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië
tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en
Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering,
bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo
buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote
opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten
moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend
nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te
eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden
voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een
geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog
zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets
gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die
hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles
niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad
eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar
onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn
anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en
was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken
leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk,
maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken,
die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit
begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke
toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te
leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende
rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en
den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige
grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen,
en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en
kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van
beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden
aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor
één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar
laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel
omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja!
dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij
zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en
zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het
bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij
daarvan ook heden nog verwijderd!

Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem
onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner
rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde
gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd
voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende
borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen,
toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan
den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man
jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou
uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met
dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij
eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid
deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in
stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten
baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen
onmogelijk maakte.

--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan
verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk
zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene
met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander
genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.

Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde
getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen
zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen
edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke
bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander
toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de
onbekende hem terughield en zeide:

--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn
vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet
persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker
van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd
onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan
zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.

--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk
geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot
Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en
geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik
strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat
ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat
zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig
maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons,
diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te
maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne
dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien
geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd
heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u
en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten
zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk,
verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan
ongeloovige....

Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield
op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen
moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen
opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.

--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat
is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan
genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen
of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben
ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die
alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige
belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van
ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u
vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot
zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden
en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen
geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal
het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw
hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en
gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de
roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter
hand gesteld!

--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op
ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze
voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen
leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord
komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't
midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee
in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons
niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter
bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem
dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik
vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien....

--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich
verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens
slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen
Islamiet,--wat verlangt gij van mij?

--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar
zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem
gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra
kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of
bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan....

--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij
niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik
soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog
eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel
wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te
spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast
wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te
matigen!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.