Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer
P >>
Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21
--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar
en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts
voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde
hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk
ernstig, als het kan!
--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof
u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont
maakt.
--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,--
merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo
bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als
onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en
met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie
als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is
ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons,
wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei
Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en
lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de
hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende
bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't
midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene
partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang
besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven
aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende
de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak
maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer
moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds
genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de
Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten
zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige
grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof
van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.
--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan
eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan
de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij
willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun
ooit een stroobreed in den weg gelegd?
--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel
schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien
alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde
bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in
allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun
verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de
handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de
Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?
--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het
oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en
daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet
breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van
die waarheid?
--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd
heeft, en omdat....
--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar
hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der
Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.
Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens
als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is.
En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de
Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar
alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze
Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste
gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat
zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op
zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en
Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te
zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in
gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens
iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als
geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld
meer regt dan Christus heeft?
--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?
--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op
eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk
alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem
indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu
ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat
niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van
het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die
verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn
heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben
op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die
zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen
kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.
--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten
welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?
--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik
heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer
geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.
--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met
ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die
soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet,
heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen
huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw
eigen geslacht? Indien uw zoon....
--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,--
onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons
geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze
familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo
meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij
zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer
woorden.
--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb
gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten
verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval
is.
--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één
ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet
handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone
vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg,
dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond
mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen
besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we
zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op
onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden.
Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!
En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich
de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk
na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.
--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne
tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend
hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op
eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van
rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van
ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij
weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen
zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds
bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs
man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld
als een gek!
Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook
die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat
voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!...
Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook
wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde,
mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den
grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn
paleis had zien terugwandelen....
Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke
vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid
buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had,
opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,--
Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den
vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en
luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen
scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan
trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles
aanschouwde.
Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde
gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij
den Vorst.
--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer,
na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik
wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.
--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat
ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen
verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen
door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn
land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.
--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis!
Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader,
broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders.
--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta,
de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder
de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde
zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de
bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en
aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat
onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar
toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al
wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat
nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke
zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of
laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al
weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen
beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar
wat tot dusver ons ontsnapt.
--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of
zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel
weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds
wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als
vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken
strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden
zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de
grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de
mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen
plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij
te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor
goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet
dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit
niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook
weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het
Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de
welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest
uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille
te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook
de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die
trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij
geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.
--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,--
indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo
goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden,
zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet
bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het
meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van
hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn
pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij
kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u
verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.
--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en
zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker
niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en
onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet,
hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar
schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo
gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste
omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons,
als tegen uw gezag?
--Hoe nu? Wat meent gij?
--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb
mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken
te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten.
Selim....
--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen
zijn?
--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele
aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch
aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij
ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk
geval geen kwaad.
--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles
nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en
handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't
geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal
ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en
handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt
ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen,
waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo
straks uw leerling gesproken.
--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie
stelde hem dan nu reeds voor?
--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds
ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens
aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.
--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?
--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde.
Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf
wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem
zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke,
eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat
onvoorzigtig en wat heel openhartig....
--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer
kon zijn?
--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten
had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem
onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij
een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar
genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat
ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de
menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu
maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken
roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!
Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met
welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem
verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst
en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting
en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal
zijn woord had verpand.
--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in
zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar
hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met
evenveel regt hetzelfde getuigen kon!
VIJFDE HOOFDSTUK.
Een nieuwe kennis en een oude
Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de
nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen
die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door
verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij
eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur
aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren
binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met
cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras
met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel
uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis,
welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de
marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door
zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend
vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij
achter een der voorhangen.
Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in
bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de
Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker
gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om
hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha
niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet
regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte
blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene
onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar
alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te
noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was
ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest
volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend
gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen.
Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier
wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten
boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder
ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet
bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.
--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar
gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig
ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen
hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne
uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat
onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij,
hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.
--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde
Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar
gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan
met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien
ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van
degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.
Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij
blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw
voort:
--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot
deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene
vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd
genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar
door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en
vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken.
Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van
groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze
haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne
beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.
Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw
vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens,
dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep
terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen
in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel
bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de
overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis
geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen.
Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen
Koelloeka gevergd zijn?
Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij
het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak
eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer
onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging.
Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder
dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige
zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne
ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging
dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde?
Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te
geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten
en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.
Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op
haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden
koord en een zegel gesloten stuk.
--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken
was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne
vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.
--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien
jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan
ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie
hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet
meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend
zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,--
dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik
haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare
ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in
de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel
prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt
gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten
minste wat heel dichterlijk?
--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij
ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen
die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds
als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér
beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft
de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de
boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen
en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar
toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden,
zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk
weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland
als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse
medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's
wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet
minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk
welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen,
krachtigen jongeling aanzag.
--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten
laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe
welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille
ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u
en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens
ook niet zijn.
--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan
gij schijnt te meenen.
--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet
minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens
vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben
ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer
onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als
geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen
bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee
te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is
Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te
drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds
tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is
deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen
getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels
woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet
verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het
buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite
van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen
niet verder mogten ontmoeten.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21