A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha;
--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en
mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van
het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in
staat ware uwe belangstelling op te wekken.

--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk
aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren
oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of
de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en
naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u
alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om
mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.

--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde
Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn
gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik
afscheid te nemen.

Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde
dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die
hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.

Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open
veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden
voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den
voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk
gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten
die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij
hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het
medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette
zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en
beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone
Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms
weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de
boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in
zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke
gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de
Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat
kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond?
Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle
mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen
noemen!...

--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van
Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of
ik hem stoor met een bezoek!

Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf,
bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke
stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den
voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.

--Hebt gij dienst?--vroeg deze.

--Een paar dagen niet.

--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een
uitstapje te maken?

--Zeer gaarne! Waarheen?

--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van
den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't
eerst een togtje in de omstreken liet doen.

--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam
Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te
laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel
zeggen.

Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid
gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met
de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in
den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn
vriend en den zijne, de stad uit.

Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone
vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte
den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen
wandelrid.

--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,--
zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en
verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van
hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger
trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.

--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en
daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den
vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in
algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij
den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.

--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een
glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens
weerzien.

--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te
behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat
er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik
dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard
gesteld waren.

--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de
zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog
wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands
gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de
verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet
de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om
hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet,
maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze
schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft
aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der
dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister
goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze
paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar
verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.

Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der
nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van
tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde
zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een
Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de
gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten
nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam
het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw
en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog
reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel
op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne
eigene gewoon was te zien.

--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige
toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning
waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij
den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig
stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte
gelegenheid gaf.

--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de
waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de
hoogte.

--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand
van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche
systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der
landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente,
en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den
landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles
tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk
toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden
meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche
opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig
heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden
zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst
wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid
der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een
bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en
tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar
berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in
geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen
regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover
geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een
en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar
of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem
ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij
beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met
eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook
wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw
zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de
vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter
zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den
vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.

--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde
Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een
zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!

--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,--
hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den
schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl,
den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de
grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de
regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan.
En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al
deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het
tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer,
ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel
vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.

--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar
dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt
als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?

--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten
eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die
ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en
al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op
zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu
deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou
hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen
ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot
gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de
dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de
bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en
wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van
hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren
met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het
toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze
gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er
zelden iets van.

--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen
inderdaad heel gemakkelijk.

--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door
bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.

--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt
gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders
dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in
een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte
van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door
elkander woont?

--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak
ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.

Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel
belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden
afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden
weer bestijgend, hun weg.

Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt
moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't
gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren
omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der
Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren
afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig
en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven
elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende
gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en
breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld
alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze
deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te
verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de
paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den
eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden,
gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan
door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't
overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen
en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van
Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend
voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de
natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige
regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden
bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven
aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de
omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als
zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig
aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het
verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens
langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren
vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner
vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun
intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men
onderweg had kunnen vinden.

Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men
bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten,
en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt,
begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van
de stad zelve te zien.

--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u
zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van
mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen
over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt
stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds
bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds
een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen
bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.

--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij
niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik
zal u daar dan of in de nabijheid wachten.

Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven
was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der
zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te
zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort
van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de
beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met
eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het
voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den
Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en
vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen
zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al
gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen
kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en
zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch
stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel
gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante,
die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch
wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote
bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.

Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en
ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem,
hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was
verstoord geworden.

--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's
heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen
groet.

En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha
den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in
gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.

--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem
te zeggen zou hebben.

--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste
ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u
wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van
den Bhadrinâth u waargenomen heb.

--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe
't wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk
belang gij in mij stellen kunt.

--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en
vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar
ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te
onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt
aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?

--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't
gebergte.

--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam
droeg.

--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.

--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?

--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet
schelen.

Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan;
maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene
omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had
vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't
indringende van den ander, er op volgen:

--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger
tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou
zeggen.

--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij
zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den
Goeverneur van Allahabad ben!

--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk.

--Wat weet gij?

--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!

Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder
ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon
hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval
wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.

--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij.

Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap
niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!--
bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe
krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en
dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor
hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer
haren getrouwen heeft aangewezen!

En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te
wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders
ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker
gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem,
hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag
hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine
gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de
nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had
zien verdwijnen in het bosch.

Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog
eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de
woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn
meester nog iets te bevelen had.

--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van
Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar
een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms
toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen
misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't
gebergte verteld te hebben?

Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,--
maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat
er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man
met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de
vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen
vroeg.

--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada
verteld?

--Ik geloof inderdaad van ja!

--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens
uiterlijk voorkomen?

--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk
vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken;
wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er
kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van
onze ontmoeting tegenover den vreemde.

--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult
beschreven hebben?

--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat
wij er iets van meldden.

--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al
bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger
omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te
overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent
Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren,
is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of
Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er
mee in betrokken zou zijn?...

--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende
te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo
in gedachten zag.

--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt
hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We
hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar
let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over
den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge
mij begrepen?

--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien
kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben
volkomen vergeten hoe hij er uitziet.--

--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het,
Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor
zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu
mee te maken hebben of niet!



ZESDE HOOFDSTUK.

Selim

--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die
op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te
praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig
opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer
heden wapenschouwing komt houden!

Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de
vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op
eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was
opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog
toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine
hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar
ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs
breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander
gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde
peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans
dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek
zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld,
waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen
vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte,
veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met
geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig
meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug
gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon
bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest
gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.

Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was
aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare
muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren,
die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte.
Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te
staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste
veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en
edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel
onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man,
die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de
hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en
parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in
oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den
magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van
het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook
toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar
vermoeden bij hem gerezen was.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.