A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend,
boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen,
zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een
steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders
streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem
dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al
vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen.
Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne
Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open
en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij
thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten
Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven,
waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou
kunnen plaats hebben.

Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de
troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden
worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp
hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi
wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen
naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan
de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid.
Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid
van den vorst.

Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar
terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens
diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde,
zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:

--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal
nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge
mij niet in die goede verwachting bedriegt!

--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een
weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet,
hoewel hij toen niet raadde wie ik was.

--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had
daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan
ik toch reeds tot den mij onbekende deed.

--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,--
vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar
ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf
geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken
dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn
rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig
gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet
afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd
hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij
gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen.
Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de
mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik
nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze
billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en
gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken
nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en
veinzerij.

En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer
bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het
gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren
vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn
tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel
het een en ander omtrent het eerste te verhalen.

--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft
iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is
te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt
inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat
verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och
jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij,
zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier
onder krijgslieden tusschen de tenten!

--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom,
de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin
kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en
geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.

--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat
komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk?
Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van
de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal
is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar
eigenlijk niet eens zien.

--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen!
Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die
anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te
minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling,
wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder
beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot
Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange
niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal
mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd
houden.

--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,--
doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek!
Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan
zijn.

--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag
naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren
ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken
leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan
eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk
overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch
kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote
paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen
van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan
de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet,
terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van
de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig
van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat
geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid
nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp
afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die
trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren
vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare
teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en
onthouding doorgebragten nacht.

--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon
van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.

Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar
hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend,
zeide hij:

--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht
dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest;
wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?

--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een
bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er
aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond
bescheiden.

--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel
overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij
moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige
wijsbegeerte, niet waar?

--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter
beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden,
staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de
vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou
zijn.

--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins
vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe
avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij,
tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige
bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?

--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou
niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een
festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet
onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te
stellen?

En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen,
meldde hij diens naam en rang.

--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst
hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden
avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.

--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een
hoffelijke buiging.

--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te
beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u
eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!

En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.

--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook
mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te
zoeken.

--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan
tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan
gaan wij zamen.

--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn
post.

Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou
beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond
hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde
toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van
dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te
groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn
vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden
met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs;
maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige
Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht
naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot.
Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van
de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig
mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden
bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend
alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten
van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende
divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen
drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei
vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel,
waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen;
alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen
verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker
van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon
verbaasd doen staan.

Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die,
in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet,
daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt,
en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:

--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil
hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig
wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd
zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden;
wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te
zijn.

De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene
hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur
naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.

--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij
genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond
juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins,
die mij hier in Agra verwachtte.

--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het....

--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch
zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al
is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft
met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was
evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan
Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien
Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot
zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch
even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd,
terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van
hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.

--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen
Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij
tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis
zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat
personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun
dwalingen.

--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al
betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen.
Misschien ....

--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend.

--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede
manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe
wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij
liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als
ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de
plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde
magten schijnen ontworpen te worden!

Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van
Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de
sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren
naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met
opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar
geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.

Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch
fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens
gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons
aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die
de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt
te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de
tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend,
dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en
misschien....

--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan
't gevest van zijn sabel slaand,--we zouden....

--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog
erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die
tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen
ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is
groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders
beteekenen, te weten: "Akbar is God."

--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle
woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.

--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens
nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik
zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch
eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen
onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid
genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen
en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel
de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger
gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan
de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds
eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk
gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?...

--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons
gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde
middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het,
vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed
idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt!
Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons
eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't
oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen,
mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk
verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!

Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende
divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande,
een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.

--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten?

--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast
springen.

--En de brief?

--In de beste handen!

Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar
toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich
tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met
wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren
verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de
gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog
wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis
bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn
vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden
aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig
dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen,
Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?

Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen
ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der
voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen
en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar
daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der
snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit
te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide
van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig
te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en
zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van
Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden
schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van
inhoud voorkwamen.

--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons
iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een
oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het
Gitagovinda, meen ik.

--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de
avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn
hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf
ook wel eens een vertaling van beproefd.

--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt
Rembha al.

En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge
vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en
ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte
muziek aldus aan:

Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke
boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven
besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met
haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de
rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in
't voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt
kozend en danst met de dartlende reijen.

"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met
kransen omhangen,
De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de
lagchende wangen,
Schertsend en kozend met dartel gebaar
Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.


Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn
zijde te dringen,
Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der
luit hoorde zingen.
De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit
zijn blik heeft gedronken,
Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in
gedachten verzonken.


Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't
oor hem te fluistren,
Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich
buigt om te luistren.


Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder
getrokken,
Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den
oever der Djamoena lokken.


Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der
zacht rinklende ringen,
Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde
bewondring te dwingen.


Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't
harte soms prangend,
Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,
met de armen omvangend,
Schertsend en kozend met dartel gebaar,
Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."


--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een
oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u,
edele Siddha! van de vertaling?

--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel
teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd.
Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat
gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de
vertaler zelf niet bekend?

--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins,
even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij
deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel,
vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig
niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt,
maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons,
Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond
niet meer van u vergen.

--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot
hare vriendin:

"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt
met speelsche vriendinnen,
Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen
kan winnen,
Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!


Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou
wenschen te omvangen,
Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten
omhangen;


Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan
doet verbleeken,
Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade
doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"


Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins
veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde
welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de
rol der minnende Radha voort:

"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't
nachtelijk duister,
Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn
lagchende luister,
Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
voorheen weer beminne!


Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn
zinnen verrukte,
Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den
sluijer ontrukte,


Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan
mijn zijde,
Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij
wijde,


Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende
wangen,
Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking
hevangen,
Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
voorheen weer beminne!"


Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel,
zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt
beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke
zij door stem en gebaren er aan te geven wist.

--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan
de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een
andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij,
misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins
tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische
dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij,
als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door
het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?

--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn
inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op;
en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden
den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens
Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen
zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar
bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot
voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt
mij toch wat al te grof.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.