A  /  B  /  C  /  D  /  E  /   F  /  G  /  H  /  I  /  J  /   K  /  L  /  M  /  N  /  O   P  /  R  /  S  /  T  /  U  /  V  /  W  /  X  /  Y  /  Z

Akbar by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

P >> Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer >> Akbar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21



Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo
mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een
onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie
en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling
verhinderde door uit te roepen:

--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij
dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit
oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't
philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van
jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te
brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een
drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon
te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt;
en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens
dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die
geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:

"En komt ge tot het drinkgelag,
Ik doe u gaarn den ganschen dag
Een trouw en kloek bescheid.


Den beker vindt des morgens gij
Ten boord gevuld reeds staan;
Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"


En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?

De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard,
maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar
hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen
Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en
eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te
drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.

De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en
menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld,
terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich
onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen
plaats namen.

Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam
had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem
dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar
ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de
ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke
slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen
leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door
den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een
leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.

--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo
gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een
mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven,
zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne
kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij,
--als ik oud en leelijk ben geworden, dan....

--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden
uit te roepen.

--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar
gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij
nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan
avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene
Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in
een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en
dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden.

Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek
voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere
gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de
gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking
trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan
hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg
begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum
verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en
daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal
in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen
gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles
behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in
welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer
naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee
nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van
zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden
trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den
schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij
van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze
te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld
oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde,
elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al
luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef
stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de
bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf
bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te
merken.

Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd,
schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was
die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.

--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken.
Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen
als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan
nooit waar men in gemengd kan worden.

--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen
wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?

--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of
hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees
hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen
gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer
gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar
tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best
deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan
waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal
leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het
voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed
plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij
stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap
zich huiswaarts begaf.

Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de
luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig
rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig
Gorakh, den Yogi, herkende.

--Alles wel?--vroeg deze.

--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets
bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat
anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer
getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.

--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets
van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als
hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in
de knip?

--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet
duren.

Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde
kanten ieder huns weegs.



ZEVENDE HOOFDSTUK.

Stille zamenkomsten

Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de
uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden
tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met
den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch
anderen aard.

Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer
verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder
Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend
zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van
de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal
naar het hof van Agra afgevaardigd.

--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet
beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij
beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik
wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te
zeer zal hebben vermoeid?

--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,--
antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder
ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel
te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat
de Heer over hem beschikt.

--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te
bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de
goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en
andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u
nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald;
en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in
gelezen hebben.

--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer
bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede
aarde is gevallen?

--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige
boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt.
Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens
die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de
leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine
opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een
zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde
en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme
stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.

--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen
geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg!
Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid;
dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het
trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een
grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en
geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te
onderscheiden?

--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei
Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal
dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg.
En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u
mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige
schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een
open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in
andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld
enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.

--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste
ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen!

--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die
benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle
het geval. Niet waar, Feizi?

--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter
dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik
kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een
wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor
de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.

--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem.

--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan
wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?

--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik
hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet
nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne
waarheid zijn.

--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is
juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel
gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één
verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand
anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag
ik wederom: waaruit blijkt dat?

--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard
door Jezus Christus, den Zoon van God.

--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal
Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den
grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt
gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig
u beroepen kunt.

--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten
hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen
is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende
incarnatiën der Godheid.

--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den
Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet.

--Dat staat weer gelijk,--antwoordde Akbar,--met het gezag van den
Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de
kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld,
waarvan Feizi zooeven sprak.

--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?

--Ook al weer bij allen van gelijke kracht.

--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.

--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de
zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het
Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede,
als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt
humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele
kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij,
van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.

--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre,
ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig
gemelijk aan.

--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een
ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet
volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van
de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet
nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons
niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij
konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen
vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent
hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.

--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de
Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en
zielen te redden van het verderf!

--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u
een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen,
indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor
waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij
van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.

--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele
bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht,
welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest
verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van
ongodist.

--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?

--Ongetwijfeld!

--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der
overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou
ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer
ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde
inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en
komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend
Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en
niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde
Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op
uw oordeel.

Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt
onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het
woord te laten, toen deze begon:

--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer
woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de
verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare
illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan
zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele
bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch
onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam
van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van
God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen
nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid,
of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer
misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch
reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te
vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten
van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu
slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God
den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna,
ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten
offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo
als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest
en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden
overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke
liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten
goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus
ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en
redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij
daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening
nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken,
wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke
moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en
verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan
leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst
genomen, vrij overtollig.

--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij
verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de
eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en
verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en
daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons
te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet
het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner
Heiligen na Hem, te ondergaan!

--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij
zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken
ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan
beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij,
voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel,
zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en
daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te
verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken,
bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de
belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen.
En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij
vooralsnog uiterst gering.

--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens
het voorbeeld gaf?

--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!--
antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond
ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?

--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde
eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen.
Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift
reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher
ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén
in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig
en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in
die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet
te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen
uitdrukte?

--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!--
antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar
ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u
luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de
gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't
oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een
voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel
onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een
bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en
welsprekendheid het dan nog met mij brengt!

Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich
mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan
niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat
er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was
afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank
zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met
eerbiedigen groet het vertrek.

--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem
verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is
altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede
en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.
Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende
wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen
grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te
ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der
onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.

--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend
beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en
onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en
ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in
voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu
de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen,
dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener
openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden
moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de
tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling
hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze
zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en
trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels
tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra,
dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.

Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken
dacht hij na, en zeide toen:

--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij
zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook
al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede.
En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke
verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden,
die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd
zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te
bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht,
eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.

In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene
zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds
beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene
heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was.

Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn
eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die
hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de
vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet,
en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres
ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen.
Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al
sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha
ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was
gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt,
hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel
Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk
genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens
woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd
vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den
jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er
niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen
der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer
en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en
evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename
en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet
ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen.
Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester
gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet
enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij
met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit
had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte
gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de
voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne
te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21

Scottish book of the year goes to Kieron Smith, Boy by James Kelman

The barrister Constance Briscoe has won the libel case brought against her by her mother, Carmen Briscoe-Mitchell, over her bestselling misery memoir Ugly, in which she accused Briscoe-Mitchell of childhood cruelty and neglect.

Briscoe-Mitchell claimed the allegations were "a piece of fiction", and sued Briscoe and her publishers Hodder & Stoughton for libel.

A 10-day hearing at the high court in London concluded earlier today with a unanimous verdict from the jury after more than a day's deliberation. Speaking outside the court, Briscoe, a part-time judge, said she was "very happy" with the verdict.

"It is sad that my mother still feels the need to pursue me. Now I just want to get on with my career," she said. "I can quite understand why my family went into collective denial, but whilst child abuse may be committed behind closed doors, it should never be swept under the carpet."

The hearing saw Briscoe tell Mr Justice Tugendhat and a jury how her mother beat her with a stick for wetting the bed, called her a "dirty little whore" and drove her to attempt suicide by drinking bleach.

Briscoe's account of her upbringing was published in 2006 and has sold more than 400,000 copies in the UK.

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Would you have your ashes scattered in Jane Austen's garden?
American film producer to publish version of the Bible in which God says it is better to be gay than straight

The royal family doesn't need a poet

The power of Jane Austen never ceases to amaze: the myriad film and TV adaptations, the biopics, the spin-off self-help books, the novels about Austen book clubs and Austen obsessives and even, next spring, the publication of a book about "how Jane Austen conquered the world" (Jane's Fame, by Clare Harman). And now comes the just-too-weird story that deceased fans of Jane Austen have been banned from having their ashes scattered in her garden. In a letter to the Jane Austen Society, Louise West, the collections manager of Jane Austen's House Museum, wrote: "While we understand many admirers of Jane Austen would love to have ashes laid here, it is something we do not allow. It is distressing for visitors to see mounds of human ash, particularly so for our gardener. Also, it is of no benefit to the garden!" (Or is it? Surely a small quantity of fresh ashes judiciously placed beneath a hydrangea bush is just the ticket?)

Anyway, leaving aside the Gardeners' Question Time minutiae, what on earth is going on here? I like an Austen novel as much as the next person – I probably reread my way through the complete works every couple of years – but I am baffled as to why one would want to be laid to rest among the flowerbeds of Chawton. The only explanation is the currently unstoppable power of the Austen cult, fuelled by Colin Firth in a wet blouse, by Andrew Davies's adaptations, and by Hollywood. I'm all for enjoying books, but the cult of Austen has reached ridiculous proportions. In a post-feminist world that should know better, she seems to be adored as the comforting provider of romantic, happy-endings nonsense instead of the sharp and acerbic social satirist she deserves to be seen as.

(Does anyone actually believe her, by the way, when she foretells a happy marriage for Darcey and Elizabeth? I fear a woman as interesting as Elizabeth would be sorely disappointed with this standard-issue British Repressed Public-school Man - hopeless emotionally, and probably hopeless in bed.)

guardian.co.uk © Guardian News & Media Limited 2008 | Use of this content is subject to our Terms & Conditions | More Feeds

Copyright (c) 2007. booksboost.com. All rights reserved.